PRET ARCHIVE WWW

Crosswalk Bible Study Tools

Words/Verses:
Located Where:
 Which Version:  
  Tools!         HELP / OT Tools |NT Tools

Tools: WWSB | Google Books | TexCrit | Vine's | Gk-Lex-Alts-Vars | Aramaic-Lex-Lex2 | Gk/Hb Font | X-late | HYPERpreteristarchive.com


Website Color Key


Preterist Charts


The Parousia ; A Critical Study of the Scripture Doctrines of Christ's Second Coming, His Reign as King ; The Resurrection of the Dead

Israel P. Warren
1879

Christ Yet to Come:
Review of Warren's "Parousia"

Rev. Josiah Litch
1880


 

FREE ONLINE BOOKS

   
 



JOOST VAN DEN VONDEL
(1587-1679)


"Jerusalem laid desolate"
Hierusalem Verwoest

 

"Daer zien wy wat het kost den Vorst des levens te dooden en het bloed, dat genoeghzaem is tot een ranssoen voor des geheelen weerelds zonden, op zoo geringe weerdije te stellen. Met de aendachtige ouwdvader Hieronymus mogen wy van Ierusalem spreken: Fame perit, ante quàm gladio. De Stad vergaet eer door honger als door het zweerd."

 

Free Online Books

Free Online Books



Apocalyptic | Apocryphal | Archeology | Lectures | Biographies | Dead Sea Scrolls | First Century History | Foreign | Jewish Sources | Josephus

Click for PreteristArchive.com Home

Click For Site Updates Page

Free Online Books Page

Historical Preterism Main

Modern Preterism Main

Hyper Preterism Main

Preterist Idealism Main

Critical Article Archive Main

Church History's Preteristic Presupposition

Study Archive Main

Dispensationalist dEmEnTiA  Main

Josephus' Wars of the Jews Main

Instaverse Bible Verse and Commentary Lookup

Online Study Bible Main

 1-1000

070: Clement: First Epistle of Clement

075: Baruch: Apocalypse Of Baruch

075: Barnabus: Epistle of Barnabus

090: Esdras 2 / 4 Ezra

100: Odes of Solomon

150: Justin: Dialogue with Trypho

150: Melito: Homily of the Pascha

175: Irenaeus: Against Heresies

175: Clement of Alexandria: Stromata

198: Tertullian: Answer to the Jews

230: Origen: The Principles | Commentary on Matthew | Commentary on John | Against Celsus

248: Cyprian: Against the Jews

260: Victorinus: Commentary on the Apocalypse "Alcasar, a Spanish Jesuit, taking a hint from Victorinus, seems to have been the first (AD 1614) to have suggested that the Apocalyptic prophecies did not extend further than to the overthrow of Paganism by Constantine."

310: Peter of Alexandria

310: Eusebius: Divine Manifestation of our Lord

312: Eusebius: Proof of the Gospel

319: Athanasius: On the Incarnation

320: Eusebius: History of the Martyrs

325: Eusebius: Ecclesiastical History

345: Aphrahat: Demonstrations

367: Athanasius: The Festal Letters

370: Hegesippus: The Ruin of Jerusalem

386: Chrysostom: Matthew and Mark

387: Chrysostom: Against the Jews

408: Jerome: Commentary on Daniel

417: Augustine: On Pelagius

426: Augustine: The City of God

428: Augustine: Harmony

420: Cassian: Conferences

600: Veronica Legend

800: Aquinas: Eternity of the World

 


1000-2006

FUTURIST
HISTORICAL
MODERN

1265: Aquinas: Catena Aurea

1543: Luther: On the Jews

1555: Calvin: Harmony on Evangelists

1556: Jewel: Scripture

1586: Douay-Rheims Bible

1598: Jerusalem's Misery ; The dolefull destruction of faire Ierusalem by Tytus, the Sonne of Vaspasian

1603: Nero : A New Tragedy

1613: Carey: The Fair Queen of Jewry

1614: Alcasar: Vestigatio arcani sensus in Apocalypsi

1654: Ussher: The Annals of the World

1658: Lightfoot: Commentary from Hebraica

1677: Crowne - The Destruction of Jerusalem

1764: Lardner: Fulfilment of our Saviour's Predictions

1776: Edwards: History of Redemption

1785: Churton: Prophecies Respecting the Destruction of Jerusalem

1801: Porteus: Our Lord's Prophecies

1802: Nisbett: The Coming of the Messiah

1805: Jortin: Remarks on Ecclesiastical History

1810: Clarke: Commentary On the Whole Bible

1816: Wilkins: Destruction of Jerusalem Related to Prophecies

1824: Galt: The Bachelor's Wife

1840: Smith: The Destruction of Jerusalem

1841: Currier: The Second Coming of Christ

1842: Bastow : A (Preterist) Bible Dictionary

1842: Stuart: Interpretation of Prophecy

1843: Lee: Dissertations on Eusebius

1845: Stuart: Commentary on Apocalypse

1849: Lee: Inquiry into Prophecy

1851: Lee: Visions of Daniel and St. John

1853: Newcombe: Observations on our Lord's Conduct as Divine Instructor

1854: Chamberlain: Restoration of Israel

1854: Fairbairn: The Typology of Scripture

1859: "Lee of Boston": Eschatology

1861: Maurice: Lectures on the Apocalypse

1863: Thomas Lewin : The Siege of Jerusalem

1865: Desprez: Daniel (Renounced Full Preterism)

1870: Fall of Jerusalem and the Roman Conquest

1871: Dale: Jewish Temple and Christian Church (PDF)

1879: Warren: The Parousia

1882: Farrar: The Early Days of Christianity

1883: Milton S. Terry: Biblical Hermeneutics

1888: Henty: For The Temple

1891: Farrar: Scenes in the days of Nero

1896: Lee : A Scholar of a Past Generation

1902: Church: Story of the Last Days of Jerusalem

1917: Morris: Christ's Second Coming Fulfilled

1985: Lee: Jerusalem; Rome; Revelation (PDF)

1987: Chilton: The Days of Vengeance

2001: Fowler: Jesus - The Better Everything

2006: M. Gwyn Morgan - AD69 - The Year of Four Emperors

Print and Use For Personal Bookmark or Placement in Bookstores


 

 


Hierusalem Verwoest
"Jerusalem laid desolate"

Joost van den Vondel (1587 - 1679)


TREURSPEL,

den Joden tot nadenken,
den Kristenen tot waarschouwing,

ALS OP HET TOONEEL VOORGESTELD
Aº 1620
Matt. XXIII

Ziet, uw huis wordt u woest gelaten.

Virg. in Æneas I. Boek.

Hier zijn de tranen van ons smert,
En de ongevallen roeren ’t hert


Joost van den Vondel
(1620 - DUTCH)

“Heaven has chosen that which is small. All those who have been born again in humility are of heavenly
descent.”
“Heaven has chosen that which is small. All those who have been born again in humility are of heavenly
descent.”

“Heaven has chosen that which is small. All those who have been born again in humility are of heavenly descent.”

"Vondel is the greatest personification of Dutch genius; and not only is he the most popular of the poets of his nation, but such is his popularity, that it may be affirmed that in no other country, not exclusive of Cervantes in Spain and Manzoni in Italy, is there a writer more generally known or more constantly read than he"
(Edmondo de Amicis, Holland and its People)
 

Josephus, zelf een Jode, erkent deze nederlage te zijn een bijzondere goddelijke wrake, overmids de tyrannen te Jeruzalem, meer door vreeze als nood, uit hare onwinbare vastigheid weken; en Titus, na het veroveren der stad, zich verwonderende over den geweldigen bouw van torens en muren, en ser ateenen hooge, groote, en behendige te zamenvoeginge zeide

Hierusalem Verwoest PDF File

Titelblad. | Aan mijn broeder. (Klinkert.) | Opdracht aan Cornelis Pietersz. Hooft | Aan den gedichtenlievenden lezer. | Het inhoud. | Aan den Joodsche Rabbijnen (Klinkert) | Treurspeelders. | De eerste handel. | De tweede handel. | De derde handel. | De vierde handel. | De vijfde en leste handel. | Inhoudsopgave Vondel


AAN MIJN BROEDER,

OP HET TREURSPEL DER JODEN.

Klinkert.

Euripides, die heeft de aanschouwers lang voorhenen
Ten oogen eenen vloed van peerlen uitgedrukt,
Als Hecuba bedroefd, uit haren troon gerukt,
Beschreide Troyens val, met zuchten en met stenen;

Maan gij, o Broeder! der Hierosolymitanen
Droef Treurspel ons vernieuwt en klagelijke moord,
Hoe deerlijk Titus heeft Jeruzalem verstoord:
Om wien de vijand zich niet spenen kost van tranen.

Een wreed barbarisch hert moet schrikken, als ’t verstaat,
Hoe Sions heerlijkleid en pracht te gronde gaat:
Hoe Salomons gebouw met zijn vergulde daken,

De machtigste pilaar van ’t vruchtbaar Joodsche land,
Is omgeworpen; hoe eens moeders eigen hand
Haar teder kind uit nood gaat tot spijsoffer maken.

                              GUILHELMUS VONDELIUS.

 

DEN ERENTFESTEN, ACHTBAREN, WIJZEN, EN VOORZIENIGEN HEERE

CORNELIS PIETERSZ. HOOFT, (*)

RAAD, EN OUD BURGEMEESTER DER OM DES WERELDS OMMELOOP WIJD BEROEMDE KOOPSTAD AMSTELREDAM.

M ij n   H e e r e,

Wanneer de heilige Paulus den Kristengeloovigen vermeent te bidden voer koningen en alle, die in macht en hoogheid gesteld zijn, opdat wij een gerustig en stil leven mogen leiden in alle godzaligheid en eerzaamheid: zoo leert mij ons al stilzwijgende, hoe wij wijze en vrome overheden behoonren met eerbiedigheid te omhelzen, als eenen gnoeben zegen Godes en fonteine, waardoor allerhande heil en webvaren ons bekwamelijk toevloeit: want gelijk een treffelijk filezoof zegt: „ubi præses furnit philosophus, ibi civitas erit felix (die stad zal gelukkig zijn, daar de overheid wijsheid zal nasporen). De proeve hiervan hebben wij, haast eenige jaren herwaarts, gehad in deze onze vereenigde Nederlanden, die, met de hulpe des Alderhoogsten, zoo  vele gevaren gelukkiglijk zijn voorbij gezeild, door het voorzichtig en wijs beleid van hare getrouwe en vrees regeerders, die, als zorgvuldige vaderen, voor het welvaren des Vaderlands en deszelfs vrijheid gedurig hebben gewaakt, gebraakt, en alles uitgestaan. De weerdigste vrucht van deze arbeid is, dat vele duizend verjaagde menschen in den schoot en het gebied der doorluchtige Heeren Staten gastvrij zijn geherbergd en lieflijk gekoesterd, en die in veilige schaduwe gezeten, niet meer hoeven te vreezen de grimmigheid van die, uit het voorborg der Hellen opgedonderde, Spaansche Alecto, die, driemaal haar geslangde perruik geschud hebbende, met haar fakkel het vuur stak in de mutsaarden en rijsbossen, die de palen en staken bekleedden, waaraan dagelijks vele vrome Kristenenu wierden vast gemaakt, die midden in de vlammen Jezus Kristus lof toezingende, hem lijf en ziele opofferden tot eenen zoeten en Onbehagelijken reuk. Indien wij ernsthaftig overwegen de als in het hemde ontvloden wreedheid, en wederom de genoten ruste en veiligheid: gewisselijk wij moeten, gepersd zijnde van een dankbaar gemoed, met de aan strand opgeworpen Æneas uitbarsten en roepen:

O, die gij neemt alleen van ons Troyaansche gasten
Het leed ter harten en de ondragelijke lasten:
Die ons. het overschot der Grieken, hier gestrand,
En uitgeput van ’t ramp te water en te land,
Nog herbergt in uw stad en luis, met rouw bewogen; —
O Dido! ’t staat noch in ons macht, noch in ’t vermogen strooid,
Van ’t volk van Dardanus , dat overal bemoeid
Dwaalt om den gsnschen kreits des aamdnjks wijd verstrooid,
Verschulde dankbaarheid, naar eisch u op te dragen:
De Goôn (zoo verre nog een Godheid schept behagen
In ware Godes-vrucht ; zoo billijkheid nog plaats
Bij iemand heeft, en een gemoed, dat zich niet kwaads
Maan ’t goed bewust is) ’t loon u naar verdiensten jonnen.
Wat blij der eeuw heeft u gebracht in ’t licht der zonnen!
Wat treflijke oudren u geteeld tot ons gewin!
Zoo lang de mind’re vloên afloopen zeewaart in,
Zoo lang de schaad’wen op de bergen gaan en merren,
En ’s Hemels as geleidt de vlook gewelfde sterren,
Zal duren uwen naam en faam met lof en eer,
Het zij wat land mij roept, of werwaarts ik verkeer.

Onze E. E. en A. A. Overheden nee in het algemeen voorbijgaande, en mij in het bijzonder tot uwe E. wendende: gij, mijn Heere, hebt met heilzame naden vaken dezen stads en der hooger Heeren Staten vergaderinge bekleed, en, uw eigen voordeel te rugge zettende, het gemeene best naar tijds gelegenheid gevorderd en helpen vorderen; zoo dat geen verstandige zich met recht zal belgen, dat wij oorzaak nemen, in uwe E. persoon, te verheffen en als aan te bidden de zeer heusche en beleefde regeeringe, onder wiens vleugelen wij zoo gerustmoedig hebben geschuild, en den groeten God gedankt, die over ons had gesteld zoo mild-aardige en bescheiden Goden, de welke, naar het getuigenisse van eener, die, mijn Heer, in het gezond oordeel van burgerlijke zaken niet ontaardt, zijn uitblinkende, als in ’t goud het heldere gesteent.

Daar mangelt dan bij de goede ingezetenen niet anders als dankbaarheid: weshalven, om, onze beleefde regeerders in uwe E. persoon, naar mijn gering vermogen een gering teeken van aller ontvangen weldaden erkentenisse te toonen: zoo offere ik uwe E. dit mijn Treurspel van het verwoeste Jeruzalem, of, om zoo te spreken, mijn tranen, uitgestort over den bloedigen ondergang van het Jodische volk: en dat nog zoo veel te liever, overmids uit uwe E. lendenen gesproten is die Groote Apollo, die onze Nederduitsche telg den dag, en zijn treffelijk geslacht schoonder luister geeft: en wiens gulde rijmen in het voorhoofd van aanzienlijke stads-gebouwen kunstig gegraveerd, en in de kerken boven de tomben met gouden letteren in gladde toetssteen uitblinken, en de voorbijgangers al verbaasd ophouden. Ontvangt dan, mijn Heere! deze mijn geringe dank- en schuldoffer, meer ziende op den wille als iet klein vermogen, en bereikt, o wijze, grijze en landnutte raadsheer! Nestors statige en veeljarige ouderdom, ten goede van ons gemeen beste.

t’ Amstelredam, dezen 20 van Louwmaand, 1620.

Uwe E(rentfeste) en A(chtbare) gans onderdanige

J. V. VONDELEN.


DE VIERDE HANDEL.

TITUS, de keizer, TERENTIUS, <"#hopman"> hopman.

TITUS.

Wij staan op ons vertrek; mijn afgestreên soldaten,
Na zoo veel oorloogs, blijd’ haar legerplaats verlaten.
Wij laten achter ons een omgeworpen muur,
Een koninklijke stad verdelgd met staal en vuur,
Een aardrijk omgewroet, een kerkhof vet van dooden,
Die niemand staan t’ ontzien, ten ware dat der Joden
Verrezen schimmen ons opkomen mochten dol
Met fakkelen, gelijk uit Pluto’s duister hol
<"#opdonderen"> Opdonderen somtijds de ontstelde razernijen,
Als al de wereld voor een anker schijnt te <""> rijen’
Maar dat is zonder zorg: nochtans acht mijnen raad
Dit <"#oorbaar"> oorbaar, dat men, tot gerustheid van den staat,
Hier een bezetting legt van krijgsliê wel ervaren,
Die onder eenen voogd ’t land hier ontrent bewaren,
Opdat er niemand <"#schans"> schans, noch slot, noch vesting bouw,
Noch voet krijg, noch iet kwaads den <"#Romulijnschen"> Romulijnschen brouw.
Terentius, die vaak de schild waart van mijn leven,
Wanneer ik in den strijd mij had te diep begeven,
Omcingeld van ’t gevaar, belegerd van ’t gekerm,
Besloten van ’t <"#geweer"> geweer, daar, met geheven erm,
Gij mij te redden wist door sabelen en <"#pijken"> pijken,
En sloegt een <"#wagenborg"> wagenborg van doôn en versche lijken:
Deze eere komt u toe: ontvangt, ontvangt van mij,
Uw wettelijke prins en veldheer, de voogdij
Van gansch Judea; let met aandacht op uw zaken,
En wilt in ’t voordeel van ons <"#monarchije"> monarchije waken.

TERENTIUS

Aanzienelijke vorst! och, of uw majesteit
Meer nuts genieten mocht van mijn gehoorzaamheid!
Wij nemen ’t ampt in dank; uw mildheid is te loven,
Die ons verdiensten in <"#bezolding"> bezolding gaat te boven.
Verschoont uw dienaar niet, die, als de keizer spreekt,
Wenscht te vervullen ’tgeen aan zijnen plicht ontbreekt.

TITUS.

Mijn tiende bende, die haar ooit zoo <"#vroom"> vroom verweerde,
Gesterkt met nog meer volks te voet en ook te peerde,
Ik tot bewaring hier te legeren besloot,
Om de overwinning te verzekren buiten nood,
Waarom men heeft verschoond den muur in ’t West gelegen,
En ’tgeen daaraan kleeft: daar het krijgsvolk vrij van regen,
Van hagel, wind en storm, en onweêr schuilen mag,
En <"#herberg"> herberg krijgen: hebt gij over haar ’t gezag
Omhelst de wetten, en, wie tegen ’t recht derft <"#woelen"> woelen,
Doet hem de strengheid van onze krijgstucht voelen.

TERENTIUS

Al wat mijn Heer beveelt, werd wetens niet verzuimd.

TITUS.

Geen uitgedreven Joôn geeft hier te wonen ruimt’:
Maar andren, die haar naar ons zeden kunnen voegen,
Vergunt deze akkren te bezaayen en te ploegen,
Mids redelijken tol ’t rijk in te wil’gen, en
Dat niemand ander staf als onzen schepter kenn’.

TERENTIUS

’t Is billijk en gegrond, het steunt op goede reden.

TITUS.

Zoo iemand derf bestaan, òf vestingen òf steden
Te stichten, en tot zulks iets delve of spitte of graaf,
Die heeft het lijf verbeurd, zijn goed en al zijn <"#haaf"> haaf.
Die zaak is van gewicht, dus hecht ze in uw gedachten.

TERENTIUS

De prince twijfel niet, wij hopeu ’t te betrachten.

TITUS.

Uit mijn gevangens ik heb duidelijk verstaan,
Dat Simon, die ons zou veel <"#hoons"> hoons heeft aangedaan,
Die <"#schelm"> schelm, die, afgerecht op zou veel <"#boeverijen"> boeverijen,
Het oorloog spaarde, om zijn <"#verschulde"> verschulde straf te ljen,
Zich onder ’t muurwerk houdt, ’twelk nog van de aarde rookt,
Met andren, die hij naar zijn lust heeft opgestookt:
Neemt acht hierop, en dees steenhoopen wilt bezetten
Met wachters, voor een <"#wijl"> wijl, die op dien booswicht letten,
Opdat hij ’t niet <"#ontslip"> ontslip: indien nog ’t recht in zwang
Bij d’ Hemellieden is, dat elk zijn straf ontvang,
En penen <"#geld"> geld en boet’ zijn grouwelijke stukken,
Hij zal u niet ontgaan.

TERENTIUS

                                    En of dit wel gelukken,
Wat aischt het recht van hem? te sneuvlen door de bijl?

TITUS.

Die <"#deugd"> deugd gebeurt hem niet; dat gij hem <"#in%20der%20ijl"> in der ijl
Mij toestiert, wel bewaard, te Rome, daar wij wenschen,
Dat hij in ons triomf zij ’t schouwspel velen menschen,
En pijnelijk uitbraak zijn goddehooze ziel,
Die <"#stadig"> stadig van het eene in ’t ander kwaad verviel.

TERENTIUS

Schept die verrader slechts in onderaardsche kuilen
De locht, al ging hij zich zoo diep uit angst verschuilen,
Dat hij den Tartarus, daar geenen <""> Febus schijnt,
Mocht hooren <"#loyen"> loyen, als de boosheid wordt <"#gepijnd"> gepijnd:
Die schelm, doorluchtig held! mijn hand niet zal <"#ontvlieden"> ontvlieden;
Belieft u iets wat maar, gij hebt maar te gebieden.
Ik volge uw Majesteit, en doe u uitgeleî.

TITUS.

De tijd verloopt, het is hoognoodig dat ik <"#schei"> schei,
En <"#vorder"> vorder onzen tocht; ik zie, nu wij vertrekken,
De keizerlijke stad haar zeven <"#halzen"> halzen rekken,
En uitzien naar het heer, dat, <"#werwaarts"> werwaarts het ook vecht,
Alom het veld behoudt, en prijs en eer inlegt.
Ik zie de stacie van le Roomesche burgerijen,
In volle <"#rusting"> rusting, ons ontmoeten met verblijen;
Den Tiber zwart van volk; ik zie Vespasiaan,
<"#Mijn%20broeder"> Mijn broeder, en dan Raad bij <"#Jovis"> Jovis tempel staan:
De pniestren ’t <"#outaar"> outaar vele, en al de Goden vieren,
En ’t onverwerklijk groen ’t hoofd des <"#verwinners"> verwinners cieren.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN, FRONTO, REI VAN STAATJONFFREN, DE DOCHTER SION.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Nu wakker, stapelt steen! de nood <"#breit"> breit duizend listen.
Deze aanslag blijft ons borg, of de eerste <"#treken"> treken misten.
O <"#kranke"> kranke toevlucht! zou de koningen van ouds,
Bedrupt van balsem, en verhalen met veel gouds,
Behangen met de glans van purper en kleinooden,
Opbraken ’t marmor, en opkeken van dan dooden,
Hoe zou ’t haar kwetsen, ach! maar als ’t aldus moet zijn,
Dit is de waarheid naast, en <"#geeft"> geeft het veinzen schijn
Voor ’t ander. Wakkert u; <"#metst"> metst van berookte steenen
Een graf voor de IJdelheid , en wilt haar lijk beweenen.

FRONTO.
<"#Mars"> Mars heeft hier uitgeraasd; hij scheidt, om elders weêr
Een <"#wederspannig"> wederspannig rijk, met zijn gevalde spaar,
Met ’t weêrlicht van zijn schild, en met getogen zweerde,
Te <"#slechten"> slechten, tot den grond en bodem toe, met de eerde.
Ik kome, in ’s Keizers naam, <"#gelast"> gelast, om zon terstond
Dees tempelhoeren, die geen uitstel wordt <""> gejond,
Te volgen doen het <"#heer"> heer, dat langer niet mag <"#dralen"> dralen.
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Help God! hij komt om ons; het is, om ons te halen!

REI VAN STAATJONFFREN.

Steenrotsen! barst van een; valt, bergen, op ons neêr!
Troost God! waar vluchten wij? hier is gaan vluchten meer.

FRONTO.

Weg, weg, met dit geraas! ’t is langer hier met <"#stenen"> stenen
Noch <"#karmen"> karmen niet te doen.

REI VAN STAATJONFFREN.

                                          Waar wildy met ons benen?

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Wat hebdy met ons voor?

FRONTO.

                                       Voort, voort! Jodinnen, voort!
Ik doe u geen verslag, neen, niet een enkel woord;
Gij werdt het zelf gewaar Wel, waar is uw vorstinne?
Waar is ’t <"#hertnekkig"> hertnekkig wijf?

REI VAN STAATJONFFREN.

                                       Wij bidden u, uit <"#minne"> minne,
Och! wijst ze ons, waar ze <"#dwaalt"> dwaalt.

FRONTO.

’t Is u niet onbewust.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Wij zijn om harentwil <"#bekommerd"> bekommerd en ontrust.

REI VAN STAATJONFFREN.

Zij <"#droop"> droop van onze rei vol zuchtens en vol klagen,
Berooid van hoofd en zin, versuft en heel verslagen,
En eer men toezag (Want onze oogen waren dik
En nood van schreyen) zij, in eenen oogenblik,
Was ons gezicht ontgaan, en, <"#werwaarts"> werwaarts dat wij zouden, —
Haar stem wierd niet gehoord, haar voetspoor niet gevonden.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Verlatene vorstin! zoo gij de locht nog schept,
Meld de oorzaak, waarom dat ge ons dus begaven hebt:
Want zooder hoop was, om uw zelven te <"#versteken"> versteken,
Wij hadden t’ zamen wel dit ongeval ontweken:
Geen klip zoo eislijk steil, geen afgrond is zoo naar,
Vol slangen, vol gedierte, of ’t uiterste gevaar,
Hulde ons doen klimmen, en <"#opklavreren"> opklavreren’ en dalen:
Of hebdy vóór dan tijd uw doodschuld gaan betalen,
En zijdy van een rots <"#gesneuveld"> gesneuveld op een steen,
Die <"#gants"> gants verpletterd heeft ’t <"#albaster"> albaster van uw leên,
Zee wilt door eenig spook of teeken doch <"#gehengen"> gehengen,
Dat wij u vinden, en met rouw ter aarden brengen.

FRONTO.

Hoe luidde ’t jongst beklag? hoe droeg z’ haar als ze <"#schied"> schied?

REI VAN STAATJONFFREN.

Van droefheid uitgeput, <"#verwonnen"> verwonnen van verdriet,
Zal ik dan, sprak ze, die gevallen ben in handen
Van d’ <"#onbesneden"> onbesneden, zijn haar schouwspel t’ <"#mijnder"> mijnder schanden?
Zal ik, die een vorstin der volken ben geweest,
<"#verstrekken"> Verstrekken een slavin van die ons heeft gevreesd?
Zal ik verschoven gaan in ballingschap vol smerten
Mijn ramp <"#ineten"> ineten? en al steeds met droever herten
Ophalen mijnen val? en den voorleden staat
Gaan vergelijken met ons tegenwoordig kwaad?
Nog zoo niet; naauwlijks was het kermen van de lippen,
Of wij verloren haar omtrent die scherpe klippen.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Hij gaat ze zoeken.

REI VAN STAATJONFFREN.

                              Och! of dit gelukken woû,
Dat wij ’t lijf bergden van ons welgeboren vrouw
In ’t uiterste gevaar, voor ’t woeden der tyrannen:
Wie weet, wat uitheemsch bloed eens met haar aan mocht spannen,
En geven zich te velde, om ’t overschot der Joôn
Te stellen en haar stoel, en koninklijken troon:
Wie weet, van waar ons God mocht een verlosser wekken, -
Die eenen Cyrus zoude of andren Mozes strekken,
Of <"#braven"> braven Gedeon, of trotschen Jozua,
Of stouten David, tot <"#verzetting"> verzetting van ons schâ.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Staatjonffren, zwijgt! hij keert met overwinners-treden,
Gezwollen om zijn hoofd van <"#toorne"> toorne en gants t’ onvreden,
Met dreigende oogde spoedt hij <"#onswaart"> t’ onswaart zijnen gang.
Jehova, staat ons bij! wat wordt mij ’t harte bang!
Moord! moord! hij trekt ’t <"#geweer"> geweer! ik tril, ik beef, ik sidder!

REI VAN STAATJONFFREN.

Genade, o oud Romein!

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

                                     Genade, o edel ridder!
Wat is ’t, dat u ontstelt? wat is ’t, dat gij <"#begaat"> begaat?
Wat eer is ’t, dat gij dees verdrukte vrouwen slaat,
Een troosteloozen hoop! <"#tert"> tert lieven uwsgelijken.
Gaat uwen vijand toe, zon zal uw <"#vroomheid"> vroomheid blijken;
Hier haaldy enkel schand; laat zinken uwen <"#moed"> moed!
Wat is ’t, date ontzet en heftig woeden doet?
Wat eischty zoo <"#verstoord"> verstoord? ach, wilt doch wat bedaren!

FRONTO.

Dat gij ze daadlijk meldt.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

                                      Men zal ’t u openbaren,
Als ’t immers zoo moet zijn, aanhoort slechts met geduld:
Aan haar rampzalig einde en dood heeft niemand schuld
Als zij, die, als ze droef haar handen had gewrongen,
En ’t aanzicht opgekrabt, is van een rots gesprongen
Met schrikkelijk gehuil, ’t welk driemaal heeft gevergd
Den galm, die woont in dit omliggende gebergt:
Wij volgden haren sprong met uitgekreten oogen,
Maar wie had <"#onbezwijmd"> onbezwijmd van ’t hooge aanschouwen mogen
Een lichaam, welks gestalt was van den zwaren val
Gants uitgewischt? o vrouwe! o rotse! o berg! o dal!

FRONTO.

Dat riekt naar <"#schelmerij"> schelmerij; denkt nimmermeer met liegen
Een afgerecht Romein, als ik ben, te bedriegen.
Ziet voor u, wat gij doet.

REI VAN STAATJONFFREN.

                                      Wij bidden u, gelooft.

FRONTO.
Waar is het lichaam? fluks!
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

                                         Wat lichaam? dat, beroofd
Van zijn gedaante, is <"#gants"> gants verplet in al zijn deelen?

FRONTO.

Wijst mij ’t verplettr voort, en past op mijn bevelen.

REI VAN STAATJONFFREN.

Wij kwamen, als zij lag gevallen naar beneên,
En hieven ’t zielloos lijf op van de konde steen,
En groeven ’t <"#in%20der%20ijl"> in der ijl daar zelden iemand wandelt,
Van vreeze, dat ze niet wierd na haar dood mishandeld:
Die eer gebeurd’ haar nog, dat wij de grafsteê wat
Verheerlijkten met puin van ons verbrande stad,
Met heele en halve steen, op dat er eenig teeken
Mocht blijven, als men van haar einde kwam te spreken.

FRONTO.
Waar is de plaatse? fluks!
REI VAN STAATJONFFREN.

                                       Wij bidden u, betoont
Eerbiedigheid den dode, haar sterflijkheid verschoont,
Noch ’t lichaam niet onteert van deze, die <"#eylacy"> eylacy!
Gesneuveld <"#deerlijk"> deerlijk, wierd begraven zonder stacy.

FRONTO.
Het lichaam zal ik zien; staat op uw hoede nog!
Want vinde ik dit, als ’t eerste, onwaarheid en bedrog,
Het zal u <"#rouwen"> rouwen.
REI VAN STAATJONFFREN.

                            Och! besnoeit die boze lusten,
En die zoo lieflijk slaapt haat in den grave rusten.
Wat zijdy voor een volk, die, na genomen straf,
Een dode romp vervolgt, en wreekt u aan een graf?
Wat komt u aan? gij valt aan ’t schenden en aan ’t breken
Van onze <"#timmer"> timmer, ach! den Hemel zal het wreken,
Dat, als een <"#dullen"> dullen hond, gij schuimbekt, schendt, en bijt
’t Geen heilig is, en tot een eerlijk lijk gewijd.
Wee ons! hij luistert niet; zijn wreedheid heeft geen ooren.
Best doen wij rechte bichte, en melden ’t van te voren,
Eer dat hij ’t al verwoeste, en in zijn <"#dolligheid"> dolligheid,
Tot wrake van ’t bedrog, ons <"#dobble"> dobble straf bereid’.
<"#vroom"> Vroom krijgsman! staat wat stil, en <"#willet"> willet ons vergeven
Wij zijn uit hooge nood en angst hier toe gedreven.
<"#zinnen"> De zinnen lijden last, komt, volgt me; want hierbij
De dochter Sion, met een jonffer twee of drie
Schuilt in het hol des bergs. — Komt uit! ’t is al verloren;
Uw volk heeft u <"#verraan"> verraân, princesse welgeboren!
Den aanslag is ontdekt; komt wederom in ’t licht,
Verheugt uw vijand met een treurig aangezicht;
Hij lacht in ons <"#verderf"> verderf; komt uit, en wilt niet schromen:
Zulks is voor dezen ook een koning overkomen,
Die Salems schepter droeg, en met benaauwder ziel
<"#ontvliende"> Ontvliênde in handen nog van Nimrods nazaat viel:
Die voor hem sneuvlen zag de vruchten van zijn handen,
En most, van ’t licht beroofd, zijn leven pijnlijk enden,
In eenen duistren nacht, in een ongastvrij land.
Dit is de gene, die ons over zee en zand
Vervoeren zal; indien gij meer vermoogt met kermen
Als wijliê, valt hem aan, en brengt hem tot <"#ontfermen"> ontfermen.

DE DOCHTER SION.

Ervaren oorloogsman! na ’t woeden des soldaats
Had vaak beleefdheid bij den overwinnen plaats,
Die vroom was, en geen roem zocht, met een afgetreden,
Onweerbaar hoopken volks stijf op den nek te treden:
Omhelst doch deze deugd, en leent een lijdzaam oor
Kan uw <"#gevangens"> gevangens! zegt, wat hebdy met ons voor? <"#wat"> (*)
Wat lijden gaan wij aan?

FRONTO.

                                      Gij moet terstond naar Romen,
Ons zegefeest ten dienst; het is zoo voorgenomen:
Man zal u, om wiens wil geplengd is zon veel bloeds,
<"#gevleugeld"> Gevleugeld volgen doen de keizerlijke koets,
Met uwen ganschrn rmei, met duizend jongelingen,
Dan moogdy, zoo ’t u lust, uw tempeldeuntjens zingen:
Als gij de vaten, en al ’t goud en zilverwerk,
En ’t priesterlijk tapijt, de glorie van uw kerk,
De goude kandelaar en tafel, op een wagen,
Ziet zegenrijk ten toon voor ieder ommedragen.

DE DOCHTER SION.

Veel eer als zulks gebeurt, zal God, op mijn geschreeuw,
Doen komen op den weg een tijger of aan leeuw,
Die ons verslinden zal, en tot het been toe knagen,
En met zijn ingewand in zijnen schuilhoek dragen;
Veel eer als dat gebeurt, zal ’t God zich trekken aan,
En ons of u <"#gezwind"> gezwind met zijnen bliksem slaan;
Veel eer als dat <"#geschiedt"> geschiedt, eer dat gij vreugd zult rapen
In onzen ondergang, eer wernden wij verschepen,
En trekken aan ’t gestalt van een onreedlijk beest,
Eer scheuren wij ons kleed, en schenden uwe feest.

FRONTO.
Gij kwelt u te vergeefs, wij schrikken voor geen dreigen;
Uw roepen geldt hier niet; gij hebt uw lijf niet eigen.
Gij moet mede over zee, dus maakt uw hert geen pijn,
En zult ons <"#dienstmaagd"> dienstmaagd ’s daags, des nachts ons boelschap.
REI VAN STAATJONFFREN.

Ach! moeder Sion, helpt! wij <"#zijgen"> zijgen neêr ter aarden,
Waartoe of wij de bloem van onze jeugd bewaarden
Op een goed huwelijk? om namaals tot garief
Te dienen een <"#schavuit"> schavuit, een eerbloos hangedief?
Om zijn slavin te zijn? om hem te laten drijven
Zijn boze moedwil met ons nooit <"#gerepte"> gerepte lijven,
Ons <"#kuischheid"> kuischheid nooit bevlekt, ons witte zuiverheid?
Wat bruiloft hebben wij ons zelfs niet toegeleid!
Zal nu eau <"#Roffiaan"> Roffiaan’ van ’t lijf de gordels rukken,
En de onverwelkte roos van onze <"#maagdom"> maagdom plukken?
God moetet zijn geklaagd!

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

                                         En zullen wij <"#althans"> althans
Den moordenaars en beuls van ons getrouwe mans
Verstrekken tot een prooye, en zulke schelms verwarmen,
En hun <"#believen"> believen en omhelzen met onze armen,
En dulden, dat ze met haar lippen ongezond
Ons kaken drukken, en ’t <"#koraal"> koraal van onze mond!
Geenszins; wij zullen, vóór ’t <"#opdagen"> opdagen van de morgen,
Haar ’t hoofd omwringen, en in d’ eerste slaap verworgen.

FRONTO.
’t Is lang genoeg gedraald; volgt, daar ik u geleî.
Ons <"#heerkracht"> heerkracht gij <"#verlet"> verlet; man <"#acht"> acht hier geen <"#geschrei"> geschrei.
DE DOCHTER SION.

Wij volgen, gaat slechts voor; vergunt ons nog die zegen,
Dat wij ons klachte doen, en zeggen onderwegen
Het vaderland adieu. Bedrukte! vangt dan aan,
En neemt uw afscheid; want de tijd eischt, dat wij gaan.

REI VAN JODINNEN.

Gij, onlangs heerlijk,
Maar nu, o deerlijk
Jeruzalem! hoort ons geklag:
Wij nemen <"#oorlof"> oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Gezang en cyther,
Staf, kroon, en myter,
Gestoelt’, dat nooit zijn weêrgâ zag:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Gij, prachtige hoven!
Die trotsch naar boven
Reest, daar de stad op ’t hoogste lag:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Volkrijke straten,
Die nu verlaten
Zijt, op het schoonste van den dagn
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Verheven daken!
Vernield door ’t blaken
Van ’s vijands tortsen <"#oon"> oon <"#verdrag"> verdrag:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Gij, hooge poorten!
Waar in verhoord, en
Gevonnist elk te wonden plag:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Gewijde graven
Van die de staven
En schepters droegen met ontzag:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Bespiênde <"#toornen"> toornen!
Waar uit met <"#hoornen"> hoornen
Men maakte van de strijd <"#gewag"> gewag:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Gij, trotsche muren!
Die niet verduren
Ei mocht der Heidnen stormbok doch:
Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!

O kerk der kerken!
Waar aan men merken
Mocht Jacobs ijver <"#oon"> oon bedrog:
Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!

Daar God zijn zegen
Uitbreidde in ’t plegen
Van d’ heilge dienst, die hier <"#geschach"> geschach:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Daar, blij van zinnen,
De Cherubinnen
Elk minlijk groetten met een lach:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Daar Levi’s stamme,
Met zuivre vlamme,
Op ’t outer ’t offer smooken deê:
Wij nemen oorlof. Wee onzer, wee!

O, vloer! bevolen
’s Hoogpriesters zolen,
Daar eenen Fenix nam zijn stel:
Wij nemen oorlof. Wee onzer, wee!

Daar d’ ark behoedde
Aärons roede,
Het Mann’, en Mozes’ Tafel meê:
Wij nemen oorlof. Wee onzer, wee!

Verslagen helden,
Die most ontgelden
’s Krijgs toorne, en boeten het gelag:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Verloste moeders!
Die niet bedroevers
Zaagt als uw tepels, droog van zog:
Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!

Die in uwe ermen
 ’t Kind hoorde kermen,
En geven zijnen doodsnak nog:
Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!

Verwoeste steenen!
Verstrooide beenen!
Vleesch, dat verstrekt der dieren aas:
Wij nemen oorlof. Helaas, helaas!

Verleide zielen!
Die helpt vernielen
Uw oude stad, en streelt zoo dwaas:
Wij nemen oorlof. Helaas, helaas!

Kelders en kuilen!
Daar voortaan de uilen
Haar laten hooren met geraas:
Wij nemen oorlof. Helaas, helaas!



Hiervsalem verwoest
wordt hier afgedrukt volgens
de eerste uitgave van 1620 (tietelblad hiernaast)
(Unger: bibliographie nr. 91)

De drie werken Hiervsalem Verwoest, De Heerlyckheyd van Salomon en De Helden Godes worden hier achtereenvolgens afgedrukt naar de tekst van hun gelijktijdige eerste verschijning en wel in de volgorde van hun dagtekening door Vondel zelf: 20 Jan., 28 Jan., 11 Febr. 1620. Ze zijn natuurlik vóór 1620 geschreven, de beide laatste mogelik enige jaren vroeger.

Gezamenlik zijn de drie werken van 1620 uitgekomen in een bundel, waarvan de volledige inhoud vermeld staat in de uitvoerige tietel: ‘De Helden Godes des Ouwden Verbonds/ Met kunstige beeldenissen vertoont, en poeetelijck verklaert. Midsgaders: een Hymnus of Lofzangh van de Christelijcke Ridder *)  , de Heerlijckheyd van Salomon, en Hiervsalem Verwoest. Gerijmt door I.V. Vondelen.’ (Unger: Bibliographie, Nr. 99). Alle vier deze werken hebben in deze verzamelde uitgave ieder hun eigen signatuur en bladzijnummering, terwijl de Salomon en de Hiervsalem ieder hun eigen tietelblad voeren, in een zelfde typografiese trant. We reproduceren hier alleen het tietelblad van Hiervsalem Verwoest, en zullen de twee andere zelf zetten in de stijl van de oorspronkelike. Het op alle drie de tietelbladen voorkomende uitgeversmerk stelt voor een Kristelike Ridder met zijn spreuk: ‘Ick strii op sno eerde’, samengesteld uit de letters van Dierick Pieterssoon, 's uitgevers naam.

 In de tietel: Hiervsalem: de oorspr. naam van Jeruzalem, ontleend aan 't Grieks-Latijns Hierosolyma, en dit weer aan 't Kananees: Urusalem, stad van vrede; tot naedencken: om na te denken (over hun verhouding tot Kristus en hun bekering); tot waerschouwingh: tot 'n waarschuwing om Gods barmhartigheid niet op de proef te stellen en Hem vermetel uit te dagen zoals de Joden, (waerschouwingh met Brab.-Holl. ou); als op het tooneel voorgestelt: (en wel) op 't toneel voorgesteld; dit is 't verklarende als, dat wij dikwels niet meer gebruiken; vgl. Dl. 1, blz. 463, op vs. 75, en dit Dl. blz. 86, op vs. 70; Mat. XXIII: uit 't Evangelie volgens Mattheüs, 23e hoofdst., 38e vers: zie uw huis [nml. de tempel] zal u verwoest (woest) worden achtergelaten (gelaten), [uit de klacht van Kristus over Jeruzalem]. De aanhaling van Vondel is letterlik uit de deux-aes-Bijbel van Van Wingen; Virg: in AEneas I. Boeck: uit 't epos van Virgilius, de ‘AEneas’ 't 1e boek, vs. 462: de Latijnse tekst is: hic... sunt lacrimae rerum et mentem mortalia tangunt: hier zijn de tranen over onze (ellendige) toestand, en treffen onze menselike rampen hun hart. Van bij Vondel is minder juist. Later, 1646 en 1660, vertaalt ie 't juister (Eneas 1, vs. 665, 666). Ons en onse in alle gevallen gebruikelik.

*)  Waarschijnlik 'n herdruk van het in 1614 gepubliceerde gedicht, afgedrukt in ons eerste Deel blz. 447.

 

Aen mijn Broeder
Op het Trevrspel der Ioden.
Klinckert.

 

 

 Euripides die heeft d'aenschouwers langh voorhenen 1  
      Ten oogen eenen vloed van Peerlen uytgedruckt, 2  
      Als Hecuba bedroeft uyt haren throon geruckt 3  
 Beschreyde Troijens val met zuchten en met stenen: 4  
  
5
 Maer ghy, o Broeder! der Hierosolymitanen 5  
      Droef Treurspel ons vernieuwt, en klaeghelijcke moord, 6  
      Hoe deerlijck Titus heeft Ierusalem verstoort: 7  
 Om wien de vyand zich niet spenen kost van tranen. 8  
  
      Een wreed Barbarisch hert moet schricken als 't verstaet 9  
10
      Hoe Sions Heerlijckheyd, en pracht te gronde gaet: 10  
 Hoe Salomons gebouw met zijn vergulde daken, 11  
  
      De maghtighste Pilaer van 't vruchtbaer Ioodsche land
      Is omgeworpen: hoe eens Moeders eygen hand 13  
 Haer teeder kind uyt nood gaet tot spijsoffer maken. 14  
  
      Guilhelmus Vondelius. *  
 1  Euripides heeft o.a. 'n spel over de verwoesting van Troje geschreven Tróades, dat later werd nagevolgd o.a. door Séneca; van deze gaf Vondel 'n vertaling in z'n Amsteldamsche Hecuba, zie verder over Euripides Dl. 1, blz. 472 op vs. 1; d'aenschouwers: bij de aanschouwers.
 2  Ten oogen.... uytgedruckt: uit de ogen gedrukt; Peerlen: de (parelende) tranen.
 3  Als: toen; Hecuba: de weduwe van de koning van Troje, Príamos; uyt: van (uyt zo ook in den troon, omdat met troon niet eenvoudig 'n zetel bedoeld wordt, maar de troon met baldakijn, als 'n vertrek was).
 4  stenen: (steunen), klagen.
 5  der Hierosolymitanen: van de inwoners van Jeruzalem (Hierósolymitanen: Hier- als eén lettergreep uit te spreken; en op de eerste o de klemtoon).
 6  klaeghelijcke moord: beklagenswaardige moorderij.
 7  Hoe...: en schildert (vernieuwt) hoe; Titus: Titus Flavius Vespasianus die in 70 na Kr. Jeruzalem verwoestte (zie verder Dl. 1, blz. 538 op r. 1 en blz. 704 op r. 1); verstoort: verwoest.
 8  Om wien: nml. Jeruzalem; zich niet spenen kost: zich niet onthouden kon, (kost: kon). Titus zelf betreurde de val van Jeruzalem.
 9  Barbarisch: barbaars, met 't aan 't Duits ontleende achtervoegsel -isch; verstaet: verneemt.
 10  Sions Heerlijckheyd: de luister van de berg Sion (nml. Jeruzalem, dat vooral op de Sionsberg gebouwd was).
 11  Salomons gebouw, nml. Salomon's tempel (de tempel van Salomon was al vroeger verwoest; de nieuwe prachtige tempel was gebouwd door Herodes de Grote, die koning was bij de geboorte van Kristus. Van deze tempel bewonderden de Apostelen de grootse bouw en voorspelde Kristus de verwoesting. Markus 13:1 en 2).
 13  hoe: schildert ons hoe (zoals Hoe in vs. 7); eens evenals des ook bij vrouwelike woorden.
 14  gaet tot spijsoffer maken: opoffert, doodt om zich voedsel te verschaffen (dit slaat op 't bekende verhaal van Flavius Josephus; zie in 't treurspel vs. 802-906).
 *  Guilhelmus Vondelius: Willem van den Vondel, Vondel's jongere broer, is geboren in 1603, hij heeft te Leiden in de rechten gestudeerd (1623 en 1624) en heeft 'n reis gemaakt in Frankrijk en Italië; in 1624 werd hij dokter in de rechten te Orleans; hij stierf in 1628 te Amsterdam, na er gepraktizeerd te hebben als advokaat. Vondel vertaalt van hem 'n gedicht ‘Op Urbaen den achtsten’ (1625).


[p. 77]

Den erentfesten, achtbaren,
Wyzen en Voorzienigen Heere Cornelis Pietersz. Hoofd, Raed, en ouwd Burgermeester der om des weerelds ommeloop wyd beroemde Koopstad Amstelredam. *  

Mijn Heere,

[1] Wanneer de heylige Paulus den Christgeloovigen vermaent te bidden 1  

 [2] voor Koningen en alle die in macht en hoogheyd gestelt zijn, op dat wy 2  

[3] een gerustig en stil leven mogen leyden in alle Godzaligheyd en eer- 3  

[4] baerheyd: zoo leert hy ons al stilzwygende hoe wy wyze en vrome Over-

5] heden behooren met eerbiedigheyd te omhelzen als eenen grooten zegen 5  

[6] Godes en fonteyne waer door allerhande heyl en welvaren ons bequa- 6  

[7] melijck toevloeyt: want gelijck een treffelijck Philosooph zeght: ubi praeses 7  

[8] fuerit Philosophus, ibi civitas erit felix. die Stad zal geluckigh zijn daer de 8  

[9] Overheyd wijsheyd zal naespooren. De proeve hier van hebben wy naest 9  

[10] eenige jaren herwaerts gehad in deze onze vereenighde Nederlanden,

[11] die met de hulpe des Alderhooghsten zoo vele gevaren geluckighlijck

 *  In de tietel: erentfesten: eervolle, edele; erentfest aan 't Duits ontleend; voorzienigen: vooruitziend, voorzichtige (in regeringsbeleid).
Cornelis Pietersz. Hoofd [of Hooft] (1547-1626) de bekende Amsterdamse burgemeester, en raad van Amsterdam, die Vondel zo treffend gekarakteriseerd heeft in 't Klinckdicht: Op het overlyden van C.P. Hoofd (1626) en in z'n Roskam (1626). Hij is de vader van de dichter Pieter Cornelisz. Hooft. - Met deze opdracht aan de Amsterdamse oud-burgemeester draagt Vondel voor de eerste maal z'n gedichten op aan 'n niet-Brabander.
Raed: lid van de raad; ommeloop; omtrek; Amstelredam: de oorspronkelike naam (zie Dl. 1, blz. 498).
 1  den Christgeloovigen: aan de kristenen.
 2  bidden voor Koningen....: deze woorden tot eerbaerheyd zijn uit St. Pauwels' brief aan Timótheus 2:1 en 2.
 3  gerustig: rustig; in alle Godzaligheyd en eerbaerheyd: 'n leven helemaal aan godsdienst en deugdzaamheid toegewijd.
 5  eerbiedigheyd: eerbied; te omhelzen: aan te hangen.
 6  fonteyne: bron; bequamelijck: geschikt, op de juiste wijze.
 7  een treffelijck Philosooph: 'n voortreffelik wijsgeer. Wie deze wijsgeer is, is mij niet bekend. Mogelik heeft 'n Romeins wijsgeer (Cicero?) in deze woorden samengevat de bekende mening van Plato, dat de wijsgeer de beste bestuurder is van de staat (Plato: De Staat, boek 6 en 7).
 8  daer: waar.
 9  zal naespooren: zal streven naar; De proeve: 't bewijs; naest: 't naast bij; vlak bij, bij ons.


[p. 78]

[12] zijn voorby gezeylt, door het voorzichtig en wijs beleyd van hare ge-

[13] trouwe en vrome Regeerders, die als zorghvuldige Vaderen voor het

[14] welvaren des Vaderlands en des zelfs vryheyd geduyrigh hebben ge-

[15] waeckt gebraeckt en alles uytgestaen. De weerdighste vrucht van deze 15  

[16] arbeyd is dat vele duyzend verjaeghde menschen in den schoot en het 16-vlgg.   16  

[17] gebied der doorluchtige Heeren Staten gastvry zijn geherberght en lieflijck 17  

[18] gekoestert, en die in veylige schaduwe gezeten niet meer hoeven te 18  

[19] vreezen de grimmigheyd van die uyt het voorborgh der Hellen opgedon- 19  

[20] derde Spaensche Alecto, die drymael haer geslangde perruyck geschud 20  

[21] hebbende, met haer fackel het vuyr stack inde mutsaerden en rijsbossen 21  

[22] die de palen en staecken bekleeden waeraen dagelijcx vele vrome Chris- 22  

[23] tenen wierden vast gemaeckt, die midden inde vlammen Iesus Christus lof

[24] toezingende, hem lijf en ziele opofferden tot eenen zoeten en Godbe- 24  

[25] haegelijcken reuck. Indien wy ernsthaftigh overwegen de als in het hemde 25  

[26] ontvloden wreedheyd, en wederom de genoten ruste en veyligheyd: 26  

[27] gewisselijck wy moeten geperst zijnde van een danckbaer gemoed met 27  

[28] de aen strand opgeworpen AEneas uytbarsten en roepen: 28  

 15  gewaeckt gebraeckt: zich afgetobd met waken; in 't middeleeuws al bekend waken ende braken: ‘nachtbraken’ (braken: breken; radbraken oorspr. radebraken = op 't rad breken, afmatten); De weerdighste: de kostelikste.
 16-vlgg.  Vondel bedoelt hier de gastvrije ontvangst bijv. in Amsterdam, van de protestanten ten tijde van Alva, die (in 1572 al) van 't Zuiden naar 't Noorden trokken; met de val van Antwerpen in 1585 bedroeg 't getal uitgeweken kooplui en fabrikanten bijna 19000; Burgemeester Hooft prees later openlik de verdraagzaamheid van de Staten.
 16  arbeyd: moeite; vele oorspr. (nog Vlaams) vorm van veel; duyzend: duizende (enkelv. als in zoveel duizend’).
 17  zijn geherberght: onderdak is verleend; lieflijck: vriendelik.
 18  gekoestert: verzorgd.
 19  het voorborgh der Hellen: 't voorportaal der onderwereld; opgedonderde: losgebroken.
 20  Alecto: een van de klassiek-mythologiese furiën of wraakgodinnen uit de onderwereld; ze droegen slangehaar, en zwaaiden in hun hand 'n fakkel; de Spaensche Alecto: de Spaanse dwingelandij; 't dikwels ongerechtigde optreden van de Spaanse bewindvoerders; drymael: in navolging van 't Latijn, waar bijv. Vergilius dikwels ter: driemaal, gebruikt voor: herhaaldelik; Vondel doelt hier op de vuurdood vooral van doopsgezinden, zoals die in 't Offer des Heeren (1562) verhaald wordt, en in Een Liedtboecxken van 1563 (2e deel van Offer des Heeren) bezongen wordt; perruyck: ouwere vorm van pruik.
 21  mutsaerden: mutserds, stapels takkebossen.
 22  bekleeden: omringden.
 24  lijf en ziele: lichaam en leven; zoeten: aangename.
 25  reuck: reukoffer; brandoffer; ernsthaftigh: (aan 't Duits ontleend): met ernst; als: als 't ware; in het hemde ontvloden....: de naakt, van alles beroofd, ontvluchte wreedheid.
 26  wederom: aan de andere kant.
 27  geperst: gedrongen; van: door.
 28  opgeworpen: uit de zee opgeworpen; AEneas: de held van 't epos van Vergilius, op weg om 'n nieuw Troje te stichten, wordt door de toorn van de godin Juno achtervolgd, en door 'n hevige storm op de Afrikaanse kust bij Karthago gesmeten. De aanhaling is uit 't 1e Boek vs. 597-610 (Vondel's vertaling van 1660 vs. 850-870).


[p. 79]

 O die ghy neemt alleen van ons Troijaensche gasten 29  
30
 Het leet ter herten en d'ondraeghelijcke lasten: 30  
 Die ons het overschot der Griecken hier gestrand, 31  
 En uytgeput van 't ramp te water en te land, 32  
 Noch herberght in uw Stad en huys met rouw bewogen. 33  
 O Dido! 't staet noch in ons macht, noch in 't vermogen
35
 Van 't volck van Dardanus, dat over al beroyt 35  
 Dwaelt om den ganschen Kreyts des aerdrijcx wyd verstroyt, 36  
 Verschulde danckbaerheyd nae eysch u op te dragen: 37  
 De Goon (zoo verre noch een Godheyd schept behagen
 In ware Godes vrucht: zoo billyckheyd noch plaets 39  
40
 By ymand heeft, en een gemoed dat zich niet quaeds 40  
 Maer 't goed bewust is) 't loon u nae verdienste ionnen. 41  
 Wat blyder eeuwe heeft u gebracht in 't licht der Zonnen! 42  
 Wat treff'lycke ouwd'ren u geteelt tot ons gewin! 43  
 Zoo langh de mind're vloe'n afloopen Zeewaert in: 44  
45
 Zoo langh de schaed'wen op de bergen gaen en merren, 45  
 En 's Hemels As geleyd de vloock gewelfde sterren, 46  
 Zal duren uwen naem en faem met lof en eer,
 Het zy wat land my roept, of waerwaerts ick verkeer. 48  
 29  O die ghy neemt alleen: o gij die alleen, namelik Dido, de koningin van Karthago, (o die ghy onder invloed van 't Latijn, bijv. o qui transitis); gasten: vreemdelingen.
 30  neemt.... ter herten: u ontfermt over; lasten: moeiten, zwarigheden.
 31  overschot der Griecken: (Latinisme) wat de Grieken hebben overgelaten, de enige geredden uit de macht van de Grieken. (Vondel vertaalt letterlik: reliquias Danaum).
 32  van 't ramp: door 't onheil (ramp als het-woord is heel eigenaardig; waarschijnlik onder invloed van woorden als ongeluk, onheil, euvel; zie ook Hiervsalem Verwoest, vs. 90).
 33  met rouw bewogen: door droefheid bewogen, bedroefd.
 35  't volck van Dardanus: de Trojanen; Dárdanus, stamvader van Troje en 't Trojaanse vorstenhuis; beroyt: van alles beroofd.
 36  Kreyts des aerdrijcx: de hele wereld; 'n bekende uitdrukking, onder invloed van 't Latijnse orbis terrae: de aardschijf, of orbis terrarum: de kring der landen, de wereld, kreyts: kring.
 37  Verschulde: verschuldigde; nae eysch....: naar eis, naar behoren te betonen.
 39  Godes vrucht: godsvrucht (letterlik: vrees voor God).
 40  niet: niets.
 41  ionnen (Brabants-Vlaamse vorm): gunnen.
 42  Wat blyder eeuwe: welke gelukkige tijd; (blyder met er achter wat); der Zonnen: van de zon (zonnen ouwe buigingsvorm).
 43  Wat treff'lycke ouwd'ren: welke voortreffelike ouders; geteelt: voortgebracht.
 44  mind're vloe'n (vloeden): rivieren (die de minderen zijn van de zee).
 45  merren (naast marren): toeven.
 46  's Hemels As geleyd: de hemel leidt (de hemel persoonlik genomen, zoals Vergilius doet); de vloock....: de diep gewelfde sterren, de sterren in 't diepe gewelf; vloock: hol, diep.
Vondel heeft hier Vergilius' convexa: de dalen (vs. 608) niet begrepen, en convexa bij sidera genomen; in 1646 en 1660 (vs. 868) vertaalt ie convexa helemaal niet.
 48  Het zy wat land: welk land ook; waerwaerts....: waarheen ik mij ook keer, heen trek.


[p. 80]


 
Pieter Corneliszoon Hooft
Kopergravure door A. Houbraken vervaardigd naar de schilderij van M. van Mierevelt (prent van het Vondelmuseum)

 



[p. 81]

[49] Onze E.E. en A.A. Overheden nu in het algemeen voorbygaende 49  

[50] en my in het byzonder tot uwe E. wendende: ghy, mijn Heere, hebt 50   50-52  

[51] met heylzame raden vaecken dezes Stads en der hooger Heeren Staten 51  

[52] vergaderinge bekleed, en uw eygen voordeel te rugge zettende, het 52  

[53] gemeene best nae tijds gelegentheyd gevordert en helpen vorderen, zoo 53  

[54] dat geen verstandige zich met recht zal belgen dat wy oorzaeck nemen 54  

[55] in uwe E. persoon te verheffen en als aen te bidden de zeer heusche 55  

[56] en beleefde Regeringe, onder wiens vleugelen wy zoo gerustmoedigh 56  

[57] hebben geschuylt, en den grooten God gedanckt, die over ons had gestelt

[58] zoo mildaerdige en bescheyden Goden, de welcke nae het getuyghenisse 58  

[59] van eener, die mijn Heer in het gezond oordeel van burgerlijcke zaecken 59-60   59  

[60] niet ontaerd, zijn 60  

 uytblinckende als in 't goud het heldere gesteent. 61  

[62] Daer mangelt dan by de goede ingezetenen niet anders als danck- 62  

[63] baerheyd: weshalven om onze beleefde Regeerders in uwe E. persoon

[64] nae mijn geringh vermogen een geringh teecken van aller ontfangen 64  

 49  E.E. en A.A.: edele en achtbare, edelachtbare (wanneer dergelijke tietelwoorden in 't meervoud stonden, werden de letters van de afkortingen verdubbeld; zoals in 't Latijn S. = Sanctus, S. S. = Sancti); in het algemeen: in 't geheel genomen; hier is E.E. mogelik Erentfesten, zie blz. 77 in de tietel.
 50  uwe E.: Uwe Edelheid (zie verder op r. 55).
 50-52  ghy hebt met heylzame raden.... (de) vergaderinge bekleed: gij hebt (met heilzame raadgevingen de vergadering vervuld) uw heilzame raadgevingen aan de vergadering voorgelegd; vaecken: dikwels; (vaecken: met bijwoord. en- achtervoegsel).
 51  dezes Stads: dezes ook bij vrouwelike woorden, zie Klinckert vs. 13 blz. 76).
 52  te rugge zettende: achteruit stellende (Klinckdicht 1626: Hier aen heeft Eygebaet niet d'alderminste vlock).
 53  het gemeene best: 't algemeen welzijn; nae tijds gelegentheyd: naar de tijdsomstandigheden; gevordert: bevorderd.
 54  zich belgen: zich boos maken; oorzaeck nemen: van de gelegenheid gebruik maken.
 55  uwe E. persoon: Uwe Edele, of uwe Edelheids persoon: de persoon van uwe Edelheid; uwe Edelheids dus als een geheel opgevat (dikwels in de 17e eeuw verkort in U.E. of U.Edts); aen te bidden: te aanbidden; diep te vereren (deze betekenis naar 't Latijnse: adorare); heusche: trouwhartige.
 56  beleefde: minzame, zie blz. 71 op vs. 41; wiens: wier (wiens voor alle geslachten, enkelv. en meerv.); zoo gerustmoedigh: met zo 'n gerust gemoed. (Vondel doelt blijkbaar op z'n eigen famielie en vele andere doopsgezinden, zie aant. op r. 16-vlgg.).
 58  mildaerdige: van vriendelike aard; bescheyden: verstandige; Goden: nml. de Overheden (naar 't Oud-Latijnse taalgebruik).
 59-60  Iemand die van u (mijn Heer) niet ontaard is in de gezonde beoordeling van staatszaken ('t Latijnse res civiles), nml. z'n zoon P.C. Hooft de dichter en drost van Muiden, van wie de hier volgende versregel is (Geeraerdt van Velsen vs. 1726).
 59  eener: iemand; mijn Heer: dit is weer 'n aanspreking tot Hooft.
 60  ontaerd (ontaerdt), afwijkt van (van ontaarden: uit den aard staan).
 61  het heldere gesteent: de stralende edelsteen.
 62  mangelt: ontbreekt.
 64  een geringh teecken van.... erkentenisse: een klein bewijs van dankbaarheid voor alle ontvangen weldaden (aller ontfangen weldaden erkentenisse: dankbaarheid voor alle ontvangen weldaden. (Latijnse zegswijze).


[p. 82]

[65] weldaden erkentenisse te toonen: zoo offere ick uwe E. dit mijn Treur-

[66] spel van het verwoeste Hierusalem, of om zoo te spreken mijn tranen

[67] uytgestort over den bloedigen ondergangh van het Iodische volck: en 67  

[68] dat noch zoo veel te liever, overmids uyt uwe E. lendenen gesproten is 68  

[69] die GROOTE APOLLO die onze nederduytsche tale den dagh, en zijn 69  

[70] treffelijck geslacht schoonder luyster geeft: en wiens gulde rymen in het 70  

[71] voorhoofd van aenzienelijcke Stads gebouwen kunstigh gegraveert, en 71-72  

[72] inde Kercken boven de tomben met goude letteren in gladde toetsteen 72  

[73] uytblincken, en de voorbygangers al verbaest ophouden. Ontfangt dan, 73  

[74] mijn Heere, deze mijn geringe danck en schuldoffer, meer ziende op den 74  

[75] wille als het kleyn vermogen, en bereyckt, o wyze gryze en landnutte 75  

[76] Raedsheer, Nestors statige en veeljarige ouderdom ten goeden van ons 76  

[77] gemeen beste. t' Amstelredam dezen 20. van Loumaend. 1620. 77  

 

[78] Vwe E. en A. gants onderdanige 78  

I.V. Vondelen.

 67  Iodische (naast Joodsch): Joodse.
 68  overmids: omdat; uyt uwe E. lendenen (onder invloed van de Bijbelse taal, waar deze zegswijze gebruikelik is); voor de afkorting zie op r. 55.
 69  Apollo: de oud-klassieke god der dichtkunst; dichter; nml. de dichter P.C. Hooft; nederduytsche: Nederlandse (nederduytsch nog lang meer gewoon); den dagh: 't daglicht, de bekendheid, de roem.
 70  gulde rymen: prachtige verzen; voorhoofd: bovenstuk van de voorgevel.
 71-72  Vondel doelt hier op de opschriften voor openbare gebouwen (bijv. 't Tuchthuis) en de grafschriften van beroemde personen door Hooft gemaakt; bijv. op het graf van Heemskerck in de Oude Kerk te Amsterdam:
 Heemskerck die dwers door 't ijs, en 't ijser dorste streven,
 Liet d'Eer aen 't landt, hier 't lijf, voor Gibraltar het leven.
 72  toetsteen: harde, zwarte steen, die meestal gebruikt werd om goud of zilver te toetsen, en voor grafstenen of liever gedenkstenen ‘boven de tomben’ van de aanzienliken, tegen de wanden van de kerk.
 73  al verbaest: heel verwonderd, vol bewondering.
 74  deze.... danck en schuldoffer: dit dank- en schuldoffer; dit verschuldigd dankoffer (offer ook 'n de- woord, als in 't middeleeuws).
 75  het vermogen: 't kunnen.
 76  Nestor: de bekende Griekse, hoogbejaarde held in de strijd voor Troje, die drie geslachten had gekend; ons gemeen beste: ons vaderland, onze staat (vergelijk r. 53).
 77  Loumaend: Januarie; bij 'n Nederlandse dagtekening gebruikt Vondel bijna altijd de Nederlandse maandnamen, die alleen bij de geleerden bekend waren.
 78  Vwe E. en A.: Uwe Edele en Achtbare, Uw Edelachtbare (van U Edelachtbare); gants met t uit 't Duits.


[p. 83]

Aenden Gedichtlievenden Lezer.

[1] Dat de Alderhooghste van het onmenschelijck bloedvergieten eenen

[2] afkeer heeft, zulcx hebben oock de blinde Heydenen eenighsins gedroomt 2  

[3] en gevoelt: want zy ontzagen den altaren, en den dingen die zy heyligh 3  

[4] schatten te genaecken met handen of kleederen die besprenckelt waren

[5] met beesten of menschen bloed. dit geeft Virgilius door zynen vluch-

[6] tenden AEneas eendeels te kennen daer hy hem doet spreken: 6  

 Wilt, Vader, kuysche ving'ren aen 7  
 d' Huysvaderlijcke Goden slaen. 7-8  
 'tWaer my een schandvleck rechtevoort 9  
10
 Die, nu ick uyt zoo versche moord,
 En zulcken slachtingh koom gevloon, 11  
 Te roeren, eer ick reyn en schoon 12  
 Heb afgewasschen 't laeuwe bloed
 In 't water van een frissche vloed.

[15] En Homerus door zynen strydbaren Hector: 15  

 't En past niet datme God Iuppijn 16  
 Met onreyne handen offert wijn:
 De schaemt' verbiedme, nu 't gemoed 18  
 Van menschenslachten en van 't bloed
20
 Ontsteld is, voor den Goden luyd
 Te storten mijn gebeden uyt.
 2  zulcx: dit; blinde: blinde, nml. verstoken van 't licht der Waarheid; hebben..... eenighsins gedroomt en gevoelt: daarvan hebben 'n vage voorstelling en gevoel gehad.
 3  ontzagen: ontzagen zich; den altaren en den dingen: beide 3e n.v. meerv. bij genaecken.
 6  eendeels (voor eensdeels): enigsins; daer: waar.
 7  De aanhaling is uit AEneïs, 2e Boek vs. 717-720; AEneas zegt deze woorden bij z'n vlucht uit Troje tot z'n vader Anchíses; deze moest hun huisgoden meenemen; AEneas mocht die niet aanraken, omdat ie met bloed bespat uit de strijd kwam.
 7-8  Wil, vader, met zuivere handen de huisgoden opnemen; (de huisgoden waren de beschermgoden die ieder huis had, daarom wilde AEneas ze meevoeren uit Troje).
 9  rechtevoort: voortdurend, voor altijd.
 11  zulcken: zulk 'n.
 12  Te roeren: aan te raken.
 15  Homeros, de beroemde Griekse dichter van de Ilias en de Odyssee; Hector: de grote held van de Trojanen in de Ilias; strydbaren: krijgshaftige; de aanhaling is uit Ilias, 6e zang vs. 266-268); Homeros laat 't door Hektor zeggen.
 16  datme: dat men (me zwakbetoond voor men, evenals in 't middeleeuws, ook nu nog in 't Zuid-Nederlands gewoon).
 18  De schaemt': de eerbied (voor de goden); naar 't Latijns pudor, en 't Griekse αιδως.
[p. 84]

[22] en gewisselijck God de Heere schijnt hier in bynae met zich zelven te 22  

[23] stryden wanneer hy den Koningh David, die voorgenomen hadde hem 23  

[24] een huys te timmeren, aldus aenspreeckt: Ghy en zult mynen name geen 24  

[25] huys bouwen, want ghy zyt een Kryghsman en hebt bloed vergoten. Hier uyt

[26] vloeyt dan niet als te krachtiger, gelijck oock de Koninghlijcke Propheet 26  

[27] leert, dat de dood der Heyligen weerd gehouden is voor den Heere: het 27  

28] welck oock betuyght werd door de schrickelycke oordeelen Gods gevelt

[29] over de Tyrannen die zijn volck verdruckten, en haer handen in het bloed 29  

[30] der Rechtveerdigen verwden. Hoewel dit den Ioden zoo uyt de wet en

[31] Propheten als andersins overvloedigh bekent was, nochtans hebben zy 31  

[32] haer niet ontzien Gods Propheten enzendboden te dooden en te steenigen, 32  

[33] gelijck de Heere Christus henluyden zulcx in het Euangelie voorwerpt, 33  

[34] alle welcke zonden en grouwelen zy ten lesten hebben opgehoopt met 34  

[35] het onmenschelijck bloedstorten en kruyssigen vande verschenen Zaligh- 35  

[36] maker, die, nae Esaias voorzegginge, doen hy gestraft en gemartelt wierd 36  

[37] zynen mond niet opdede, als een lam dat ter slagtbanck geleyd word, en 37  

[38] als een schaep dat stom word voor zynen scheerder, en zynen mond niet op 38  

[39] en doet. en die zoo klaeghelijck door den Psalmist uytroept: Mijn God 39  

[40] myn God waerom hebstu my verlaten? en noch Ick ben een worm, en geen 40  

[41] mensche, eenen spot der lieden, en verachtinge des volcx. alle die my zien

 22  bynae met zich zelven te stryden: omdat 't toch tot Gods eer was, dat David de tempel zou bouwen, leek God Zijn eigen eer tegen te gaan.
 23  hadde: oorspronkelike vorm van had; hem: nml. voor God.
 24  een huys te timmeren: 'n tempel te bouwen; mynen name: voor mijn naam, voor mij; (uit 't eerste boek Paralipomenon 22:8; 't bloed vergieten was tegen 't bevel van God [zie Schepping 9:6]; David voerde wel geen onrechtvaardige oorlogen, maar hij was door 't oorlog voeren wel minder geschikt om 'n tempel voor God te bouwen).
 26  vloeyt: volgt; niet als te krachtiger: des te krachtiger (niet als: niet anders dan); de Koninghlijcke Propheet = David.
 27  weerd gehouden is voor: kostbaar geacht wordt voor; uit Psalm 115 (Prot. Bijbel 116:15).
 29  zijn volck: de Joden, Gods volk; haer: hun.
 31  als andersins: als op 'n andere wijze.
 32  haer: zich; zendboden: afgezanten van God.
 33  henluyden: hun (lieden), (-luyden de Hollandse vorm van lieden); zulcx: dat; voorwerpt: voor de voeten werpt, verwijt (‘Jeruzalem dat de profeten doodt, en stenigt hen die tot u gezonden zijn’ Mattheüs 23:37).
 34  alle welcke zonden: en al die zonden (Latijnse zinvorm: omnia quae peccata); grouwelen (met Hollandse ou): gruwelen; opgehoopt: tot 't hoogste punt opgestapeld, tot 't uiterste gebracht.
 35  de verschenen Zalighmaker: de Zaligmaker die (onder de mensen) verschenen is, die in 't menselik lichaam zich openbaarde.
 36  Esaias: Isaïas 53:7; doen: toen; wierd: werd.
 37  opdede: opendeed; als: zoals.
 38  niet op en doet: niet open doet (niet.... en dubbele ontkenning).
 39  klaeghelijck: op 'n klagende toon.
 40  hebstu (uit hebs du): hebt ge; deze aanhaling en de volgende is uit de Psalm 21 (Protestanse Bijbel 22) vs. 2, 7 en 8; en noch: en nog eens.


[p. 85]

[42] sperren den mond op, en schudden den kop. Maer nae dat nu de Godde- 42  

[43] looze menschen haren bloedorstigen moed gekoelt en die afgrysselyckste 43  

[44] zonden volbrocht hadden, zoo is de wraecke des rechtveerdigen Rechters 44  

[45] hun kort op de hielen geweest, en zy zyn van dagh tot dagh aen alle

[46] kanten jammerlyck overvallen als van stormen en plasregens van allerley 46  

[47] plagen en ellenden, die eerst met den eyndlijcken en geheelen onder-

[48] gangh des Iodischen volcx zyn ge-eyndicht: gelyck Iosephus, Egesippus 48  

[49] en andere Geschichtschryvers daer van op het breedste handelen, en 49  

[50] Carolus Langius zulcx zynen Lipsius kort en geleerdelijck als in een 50   50-51  

[51] tafel vooroogen stelt, zegghende: Laet ons van Iudea beginnen dat is 51  

[52] van een heyligh land en volck Gods. Ick gae voorby het gene zy in

[53] Egypten, en nae haren optocht uyt Egypten geleden hebben: want 53  

[54] dat is ons duydelijck genoegh inde heylige boecken naegelaten: ick

[55] kome tot de zwaerste en tot die gene die als aen haer uytvaert be- 55  

[56] hooren. Het welck ick best elck in het byzonder als met een register 56  

[57] zal verklaren. Zij hebben dan met het in en uytlandsche oorloogh dit 57  

[58] uytgestaen:

[59] Voor eerst zijnder te Ierusalem door het bevel van Florus gedood zes 59  

[60] honderd en dartigh.

 42  sperren.... op: openen hun mond om te spotten.
 43  haren: hun; moed: gemoed, drift.
 44  zoo: dan, toen.
 46  als van: als door, zo veelvuldig als door.
 48  Iosephus: Flavius Josephus (zie Dl. 1, blz. 526 op r. 6 en blz. 705 op r. 8) in zijn Geschiedenis van de Joodse oorlog; Egesippus (vervormd uit Josippos) schreef 5 boeken over de Verwoesting van Jeruzalem; hij leefde in de 4e eeuw.
 49  Geschichtschryvers: geschiedschrijvers; (geschicht: zie Dl. 1, blz. 472 op vs. 9); daer van op het breedste handelen: daarover heel breed, heel uitvoerig verhalen, dat.... behandelen.
 50  Carolus Langius: Karel Lange, leefde in de 16e eeuw; 'n geleerde kanunnik van Luik, schreef verklaringen op de Officia van Cicero en de Blijspelen van Plautus; stond in nauw verband met Justus Lipsius (Joost Lips 1547-1606), beroemd geleerde; hij was hoogleraar in de geschiedenis te Leiden 1578-1591, keerde tot de Katolieke Kerk terug, en werd hoogleraar in Leuven in de geschiedenis en 't Latijn; te Leuven gestorven in 1606; geleerdelijck: op 'n geleerde wijze.
 50-51  zynen Lipsius.... vooroogen stelt: waarschijnlik in een van z'n Latijnse brieven aan Lips, die deze heeft uitgegeven in: Epistolarum selectarum chilias (Duizendtal uitgekozen brieven); in een tafel: op 'n schilderij.
 51  van Iudea: met Judea.
 53  nae haren optocht: na hun optrekken naar Kanaän.
 55  tot de zwaerste en tot die gene die: tot 't zwaarste en wat (de zwaerste.... meerv., Latijnse zegswijze: gravissima, et ad ea quae); aen haer uytvaert: tot hun ondergang.
 56  best: 't beste.
 57  het in en uytlandsche oorloogh: de binnen- en buitenlandse oorlog; de Joden voerden 'n heftige burgeroorlog in hun aanhoudende verdeeldheden en oproeren (r. 70: door een beroerte en oploop); oorloogh: vroeger meestal 'n het-woord.
 59  zijnder: zijn er; Florus: Cesius Florus, door Nero aangesteld als landvoogd over Judea; voor de Joden was ie nog 'n groter wreedaard dan z'n voorganger Albínus. Zijn optreden werd de oorzaak van de Joodse oorlog.


[p. 86]

[61] Te Cesarien op een tijd vande inwoonders uyt haet van het volck en de 61  

[62] Godsdienst twintich duyzend.

[63] Te Scythopolen, een stad in Syrien, darthien duyzend.

[64] Te Ascalon in Palestynen oock vande inwoonderen twee duyzend vijf 64  

[65] honderd.

[66] Te Ptolemaïde van gelijcken twee duyzend. 66

[67] Te Alexandrien in Egypten onder de voogdije van Tiberius en Alexander 67  

[68] vijftigh duyzend.

[69] Te Damascus thien duyzend.

[70] En dit alles heeft zich als door een beroerte en oploop toegedragen: en 70  

[71] daer nae met een wettelijck en openbaer oorloogh vande Romeynen: 71  

[72] Ioppe ingenomen wezende, zijnder van Cesius Florus verslagen acht 72  

[73] duyzend vier honderd.

[74] Op zekeren bergh Cabulon twee duyzend.

[75] Inde slagh by Ascalon thien duyzend.

[76] Wederom door verraed acht duyzend.

[77] Te Aphaca als het ingenomen was vijfthien duyzend. 77  

[78] Op den bergh Garizim zijnder verslagen elf duyzend vijfhonderd.

[79] Te Iotapata, daer Iosephus zelf was, ontrent dartigh duyzend. 79  

[80] Ioppe andermael ingenomen wezende, zoo zijnder verdroncken vier duy-

[81] zend en twee honderd.

[82] In Taricheen zijnder verslagen zes duyzend vijfhonderd.

[83] Te Gamalien, zoo verslagen, als die haer zelf vande steylte wierpen negen 83  

[84] duyzend. en daer is in die Stad niet een mensch behouden gebleven,

[85] als twee vrouwen wezende gezusters.

[86] Giscala verlaten wezende, zijnder in het vluchten gedood twee duyzend 86  

[87] en zoo vrouwen als kinderen gevangen dry duyzend.

 61  Cesárien: Cesarea; op een tijd: op 'n keer; vande: door de; haet van: haat tegen.

 

 64  Ascalon: de vroegere stad van de Filistijnen; in Palestynen: in Palestina; vande....: door de inwoners.

 

 66  Ptolemaïde (Lat. buigingsvorm): Ptolemáïs, 't tegenwoordige Akka, 'n kustplaats ten Zuiden van Cesaréa; van gelijcken: evenzo.

 

 67  voogdije: regering; Tiberius: Tiberius Claudius Nero, de beruchte Kristen- en Joden-vervolger; Alexander: Alexander Janneus, tieranniek koning over de Joden; stierf in 78 na Kr.

 

 70  als door een beroerte en oploop: namelik bij 'n oproer en opstand; als: namelik; in deze betekenis gebruiken wij als niet meer; over dit verklarende als, zie op de tietel, blz. 75; heeft zich.... toegedragen: is gebeurd.

 

 71  met een wettelijck....: bij 'n wettige oorlog tegen de Romeinen.

 

 72  Ioppe: 'n stad in Palestina, aan de Middellandse Zee, 't tegenwoordige Jaffa; Cesius Florus zie op r. 59.

 

 77  als: toen.

 

 79  daer: waar; ontrent: ongeveer, ontrent 17e eeuwse bijvorm (zie Dl. 1 blz. 525 op vs. 5).

 

 83  zoo verslagen als: zo wel die gedood (verslagen) werden als die zich zelf....

 

 86  verlaten wezende: toen ze uit Giscala gevlucht waren.
 
[p. 87]

[88] Van Gadarensers zijnder verslagen darthien duyzend, en gevangen 88  

[89] tweeduyzend twee honderd, behalven die in ontallijcke menighte 89  

[90] inde rievier gesprongen zijn.

[91] Inde Dorpen van Idumea zijnder verslagen thien duyzend. 91  

[92] Te Gerasien duyzend.

[93] Te Macherunten duyzend twee honderd.

[94] In het bosch van Iardes dry duyzend.

[95] In het Kasteel Massada, die haer zelven hebben gedood negen honderd

[96] zestigh.

[97] Te Cyrenen zijnder van Catulus de Landvooghd verslagen dry duy- 97  

[98] zend.

[99] Maer gedurende de belegeringe, zijnder inde Stad Hierusalem zelf ge-

[100] storven, en verslagen thienmael honderd duyzend, en gevangen zeven

[101] en negentigh duyzend.

[102] Dit getal beloopt, behalven ontellijcke die achtergelaten zijn, twelfmael 102  

[103] honderd en veertigh duyzend. Wat zeghdy Lipsius? slady hier over 103  

[104] uwe oogen nederwaerts? heftze liever op: en schroomt niet met my,

[105] de veeljarige oorloogen van gants Christenrijck met de nederlage van 105  

[106] dit eenige volck te gelijcken: maer hoe kleynen stucxken lands en 106  

[107] hoop volcx is dat geweest ten aenzien van geheel Europa?’ Dus verre 107  

108] uyt Lipsius. 108  

[109] Daer zien wy wat het kost den Vorst des levens te dooden en het 109  

[110] bloed, dat genoeghzaem is tot een ranssoen voor des geheelen weerelds 110  

[111] zonden, op zoo geringe weerdije te stellen. Met de aendachtige ouwd- 111  

[112] vader Hieronymus mogen wy van Ierusalem spreken: Fame perit, ante 112  

[113] quàm gladio. De Stad vergaet eer door honger als door het zweerd. en

[114] liever, als een volkomen verhael te doen vande ellenden, die gedurende 114  

 88  Gadarensers: inwoners van Gádara, 'n plaats dicht bij 't meer Genésareth.

 

 89  ontallijcke: ontelbare.

 

 91  Iduméa: 'n landstreek ten zuiden van 't toenmalige Judea.

 

 97  van Catulus: door Catullus.

 

 102  achtergelaten: overgeslagen, niet opgetekend; twelf-: dial. vorm naast twaalf.

 

 103  zeghdy: zeg je; slady: sla je.

 

 105  van gants Christenrijck: van 't hele kristenrijk, de hele kristenwereld.

 

 106  eenige: ene; te gelijcken: te vergelijken; hoe kleynen.... (klein 'n): wat 'n klein stukje land en kleine hoop volk.

 

 107  ten aenzien van: ten opzichte van, met betrekking tot (n.l. hoe talloze zijn er niet gevallen in die oorlogen van 't kristelik Europa).

 

 108  Dus verre uyt Lipsius: tot zover uit Lipsius (zie r. 51).

 

 109  Daer: daaruit; den Vorst des levens: de Heer van 't leven, Kristus.

 

 110  ranssoen: (ranssoen uit rantsoen: ts wordt s).

 

 111  weerdije: waarde, prijs; aendachtige: godvruchtige.

 

 112  Hieronymus: de beroemde Latijnse kerkvader (± 340-420) vooral bekend om z'n bijbelvertaling (de Vulgata).

 

 114  volkomen: volledig.


[p. 88]

[115] de belegeringe voorgevallen zijn, willen wy, ons daer over verwonde- [116] rende, met den Poeet roepen: 116  

 Quis cladem illius noctis, quis funera fando
 Explicet? aut possit lacrymis aequare labores?
 Urbs antiqua ruit, multos dominata per annos:
120
 Plurima perque vias sternuntur inertia passim
 Corpora perque domos, et religiosa deorum
 Limina.

[123] Dat is:

 Wie zal de lijcken, wie de ne'erlage ons verklaren
125
 Van die vervloeckte nacht? of konnen evenaren
 Met tranen al het leet? die ouwde Stad die stond, 125-126  
 En had zoo langh 't gezagh, stort plotzelingh te grond.
 Veel olick volcxken men alsins ter ne'er doet stromp'len, 128  
 Langhs straet, in huys, en op der Goon gewyde dromp'len. 129  

[130] Iosephus zelf een Iode erkent deze nederlage te zijn een byzondere 130   [131] Goddelijcke wraecke, overmids de Tyrannen te Ierusalem meer door 131   [132] vreeze als nood uyt hare onwinbare vastigheyd weken: en Titus nae 132   [133] het veroveren der Stad zich verwonderende over den geweldigen bouw [134] van torens en muyren, en der steenen hooge groote en behendige te 134-135   [135] zamenvoeginge zeyde: gewisselijck God heeft voor ons gestreden, en zelf [136] den Ioden uyt zulcke vestingen gedreven, want wat menschen handen of 136   [137] stormgeveerte mocht hier tegen gelden. Dit word, behalven uyt meer 137   [138] omstandigheden, die wy om de kortheyd voorby gaen, oock hier mede 138   [139] bevestight, overmids zy niet van een onmenschelijck Tyran maer van 139   [140] een goedertieren Prince bestreden zijn, die liever haer behoud als on- 140   [141] dergangh zocht, en gehouden wierd voor de wellust en het vermaeck 141  

 116  den Poeet: Vergilius; de aanhaling is uit Aeneas, 2e Boek, vs. 361-366.
 125-126  konnen evenaren met tranen: kunnen beschreien naar de eis van al dat leed.
 128  Veel olick volcxken....: veel weerloze mensen doet men neervallen, worden neergeveld.
 129  op der Goon gewyde dromp'len: op de dorpels van de godetempels, bij de ingang van de tempels; in 't Lat. wordt hier bedoeld: in de tempels der goden; Vondel begreep limina hier verkeerd; (drompel en drempel uit de Fries getinte dialekten naast dorpel).
 130  Iosephus: Flavius Josephus; erkent deze nederlage: erkent dat deze nederlaag is.... ('n Lat. zinsvorm).
 131  overmids: omdat.
 132  onwinbare vastigheyd: onoverwinbare versterking; Titus: zie hiervoor: Klinckert vs. 7.
 134-135  behendige te zamenvoeginge: kunstige bouw.
 136  den Ioden: de Jood (enkelvoud, of lezen de loden).
 137  stormgeveerte: stormgevaarte, werktuigen voor 't bestormen; mocht....: kon hier tegen aan; gelden: waard zijn.
 138  om de kortheyd: om kort te zijn.
 139  van: door.
 140  Prince: vorst; haer: hun.
 141  wierd: werd; voor de wellust...: voor de vreugde, de liefde van de mensen; 't Romeinse volk noemde hem: amor et deliciae generis humani (Suetoníus: Titus).


[p. 89]

[142] des menschelijcken geslachts. Dat dien volgende de Romeynen dit voor 142   [143] een uytnemende overwinningh hebben geacht, blijckt uyt het heerlijcke [144] zegefeest over der Ioden nederlage te Romen geviert: alwaer Vespa- 144-145   [145] siaen, Titus en Domitiaen met looverkranssen en purper geçiert de [146] triumphpoorte inreden: daer der Romeynen beelden en afgoden, mids- 146   [147] gaders de Arcke des Verbonds, de gouden tafel, Moyses en Aärons 147   [148] roede, vier tempelstylen, de toonbrooden, den gulden kandelaer, de 148   [149] wettafelen, en andere heylighdommen met een wonderbaerlijcke pracht 149   [150] statigh heromme gevoert wierden, en daer de schare vande gevangen 150   [151] Ioden dragende de handen op den rug gebonden, en naeckt ten halve [152] lyve hun vyanden een gaepspel verstreckten, en met haer versmaed- 152   [153] heyd der Heydenen staci verheerlijckten. Van deze gehouden zegefeest 153   [154] getuyght noch op huyden te Roome de Arca triumphalis of triumph- 154   [155] boge staende in via sacra boven de Kercke van S. Maria nova, opge- 155   [156] trocken van schoone Marmor, en met goud geçiert: inde welcke deze 156   [157] woorden in steen tot een eeuwige geheugenisse uytgehouwen staen: 157  

[158] SENATVS POPVLVSQVE ROMANVS DIVO TITO DIVI VESPASIANI 158-159   [159] FILIO, VESPASIANO AVGUSTO, ET OB VICTORIAM ET PERPETVVM.

 142  dien volgende: daarom.
 144-145  Vespasiaen: de keizer en de vader van Titus Flavius Vespasianus; Domitianus: twede zoon van Vespasiaan; zie Dl. 1, blz. 538 op r. 1.
 146  daer: waar (n.l. bij 't zegefeest); midsgaders: alsook.
 147  de gouden tafel waarop de toonbroden werden neergelegd; d.i. de broden die aan God werden opgeofferd en die alleen door de priesters mochten gegeten worden (Uittocht 25:23-30).
 148  roede: staf; tempelstylen: pilaren van de verwoeste tempel; den gulden kandelaer: de goude zevenarmige kandelaar.
 149  wettafelen: de (stene)tafelen waarop de wet stond; heylighdommen: voorwerpen van de eredienst.
 150  statigh heromme....: met staatsie rond gevoerd werden; daer: waar.
 152  een gaepspel verstreckten: tot 'n kijkspel waren; haer versmaedheyd: hun smadelike toestand.
 153  verheerlijckten: nog groter luister bijzetten; deze.... zegefeest: dit zegefeest (feest was vroeger 'n de-woord).
 154  op huyden: heden; huyden 'n bijvorm van heden; de Arca Triumphalis of Titus-boog staat op 't hoogste punt van de Via Sacra. Via sacra: de heilige weg, die dwars over 't forum naar de tempel van Jupiter Capitolinus liep. Over deze weg hielden de zegevierende imperatoren hun triomftocht.
 155  boven de Kercke....: voorbij de kerk van S(ancta) Maria Nova (de nieuwe Sinte Marije); deze kerk is nu bekend als Santa Francesca Romana; boven: voorbij, zoals in te boven en nu nog bijv. boven Arnhem).
 156  Marmor de oorspr. Latijnse vorm van marmer.
 157  geheugenisse: gedachtenis.
 158-159  Deze regels betekenen: De Senaat en 't Romeinse volk aan de goddelike Titus Vespasianus Augustus, zoon van de goddelike Vespasianus, en om de overwinning en om 't eeuwig.... (de woorden et ob victoriam et perpetvvm zijn me niet bekend, ik heb ze ook nergens kunnen vinden).


[p. 90]

 +  

[160] De volgende letteren heeft de nydige tijd en gryze ouderdom uyt- 160   [161] gewischt: oock isser noch een ander schrift aldus:

[162] S.P. Q.R. IMP. TITO, CAES. DIVI VESPASIANI FILIO, VESPASIANO 162   [163] AVGVSTO PON. MAXIMO TRIB. POT. IMP. P.P. PRINCIPI SVO, QVI 163   [164] PRAECEPTIS PATRIS CONSILIISQ. ET AVSPICIIS, GENTEM IVDEORVM [165] DOMVIT, ET VRBEM HIEROSOLYMAM, OMNIBVS ANTE SE DVCIBUS, [166] REGIBVS, GENTIBVS, AVT FRVSTRA PETITAM, AVT OMNINO INTEN- [167] TATAM, DELEVIT.

[168] Zoo leegh zijn die gene gedaelt die tot den Hemel en aende sterren 168   [169] verheven waren, een volck dat eertijds met God en de Engelen ge- [170] meenschap hadde: zy wien vuyr water aerde en locht ten dienste 170-171   [171] stonden, zijn alle dingen tegen geweest, en hebben het al tot vyand [172] gehad, en Roome heeft den roem weghgedragen van tot den grond [173] en ondersten wortel toe uytgeroeyt en verdelght te hebben een ouwde [174] Koningh en Priesterlijcke Stad, die nae veel geleden aenvechtingen 174   [175] van haer eerste grondlegginge 2177 jaren hadde gestaen. Onze ver- 175   [176] smitste Cunaeus magh wel zeggen: Ita vertuntur subitò cuncta, & omninò 176   [177] natura, quae ad originem rerum parcè utitur viribus suis, ad ruinam toto [178] impetu venit. alzoo word alles schielijck te gronde gesmeten, en Nature die [179] tot der dingen oorsprongh al heel spaerzaem hare krachten bezight, komt 179   [180] met volle geweld ten bederve. en de mond der waerheyd voorspelde geen 180  

 +  TEKSTKRITIEK: regel 163 pot., de oude uitgave heeft post. - r. 164 Patris, de oude uitgave heeft triae. - r. 166-167 intentatam, de oude uitgave heeft intenta.
 160  De volgende letteren: de daarop volgende letters.
 162  S.P. Q.R.: de bekende afkorting voor: senatus populusque Romanus; 't opschrift betekent: De senaat en 't Romeinse volk aan de Imperator Titus, Caesar Vespasianus Augustus, zoon van de goddelike Vespasianus, Opperpriester, volkstribuun, Imperator, aan de Vader des Vaderlands, aan hun vorst, die volgens de voorschriften en raadgevingen en onder de auspiciën van zijn vader, 't volk der Joden heeft onderworpen, en de stad Jeruzalem, die vòòr hem door alle veldheren, koningen en volken, of te vergeefs was aangevallen, of volstrekt onaangetast gelaten, heeft verwoest. (Jeruzalem was al verschillende malen ingenomen); imperator: 'n eretietel van overwinnende veldheren, iets dergelijks als 't tegenwoordige maarschalk.
 163  P.P. = Patri Patriae.
 168  Zoo leegh: zo laag; aende: tot aan de sterren.
 170-171  zy wien.... zijn alle dingen tegen geweest, en hebben: aan wie.... hun zijn alle dingen tegen geweest, en ze hebben alles....; het al: alles.
 174  Koningh en Priesterlijcke Stad: koning- en priesterstad; aenvechtingen: aanvallen.
 175  van: vanaf; versmitste: geslepen.
 176  Cunaeus: Petrus Cunaeus (1585-1638) hoogleraar in de letteren, staatkunde en 't recht te Leiden; door z'n scherpe hekeling in z'n boek over de H. Lubertus maakte hij zich zeer gehaat bij de gereformeerden, omdat hij er de Remonstranten in begunstigde. Hij schreef o.a. ook ‘Verhandeling over de Staat der Hebreeuwen’ in 't Latijn.
 179  tot der dingen oorsprongh: voor 't ontstaan van de dingen.
 180  ten bederve: om te verderven; de mond der waerheyd: Kristus.


[p. 91]

[181] ydele droomen als hy sprack: Hier zal niet eenen steen op den anderen 181   [182] blyven die niet afgebroken zal worden. Het overschot der Ioden heeft [183] zedert in gedurige ballinghschappen jammerlijck omgezwerft en allerley 183   [184] zwarigheden bloedigh en ellendigh uytgestaen. Zoo de kinderen der 184   [185] voorvaderen misdaed bekenden, zy zouden billijck beklagen dat haer 185-186   [186] ouwderen riepen: Zijn bloed zy op ons en onze kinderen. Want gelyck [187] Prudentius zinght: 187  

 Exilijs vagus huc illuc fluctantibus errat
 Iudaeus, postquam de patria sede revulsus,
190
 Supplicium pro caede luit, Christique negati
 Sanguine respersus commissa piacula solvit.

[192] Dat is:

 De Iood zynde uyt den stoel zyns vaderlands geruckt 193  
 Dwaelt vluchtigh hier en daer in ballinghschap verdruckt, 194  
195
 's Moords straffe draeght, en met 'sverzaeckten Christus bloed 195  
 Besprenght, zyn misdaed, en begangen zonde boet. 196  

[197] Niemand hopen wy zal ons leep en over dweers aenzien dat wy dit 197   [198] groot treurspel hier wederom als op het tooneel te voorschijn brengen 198   [199] op datmen aenmercke Gods strengheyd over die gene die gevallen zyn: 199   [200] aengezien wy hier in als op het spoor naevolgen den heyligen en bran- 200   [201] denden yver vande Koninghlijcke harpenaer David, en de Goddelycke 201   [202] dichter Ieremias: van welcke beyde, Deze, in zijn klaeghlieden heeft 202   [203] beweent de verstooringe der stad Gods en des ganschen Koninghrijcx, 203  

 181  Hier zal niet....: Mattheüs 24:2.
 183  omgezwerft: omgezworven (bij Vondel zwak gebruikt).
 184  bloedigh en ellendigh: met bloedende wonden en in ellende.
 185-186  haer ouwderen: hun (voor)ouders; Zijn bloed....: dat hebben de Joden geroepen toen Pilatus zei: ik ben onschuldig aan 't bloed van deze rechtvaardige; gij kunt toezien (Mattheüs 27:24, 25).
 187  Aurelius Prudentius: hij is 'n Spanjaard van geboorte; had 'n eerambt bij keizer Theodosius, maar leefde later in de afzondering; hij is een van de beste Latijnse kristelike dichters, vooral in zijn liederen (± 350-403).
 193  stoel: zetel, woonplaats (stoel Latinisme naar 't Latijnse sedes).
 194  vluchtigh: vluchtend, zwervend.
 195  's Moords: van de moord (op Kristus).
 196  Besprenght: bespat, besmeurd; begangen: begane (begangen ouwere vorm van begaan).
 197  leep en over dweers: scheef en onvriendelik (leep: schuin, scheel, nijdig).
 198  als op het tooneel: op 't toneel (voor als vergelijk blz. 86 r. 70).
 199  aenmercke: zou letten op, beschouwen.
 200  als op het spoor: als op z'n voetspoor, als in z'n voetstappen, van heel dichtbij.
 201  yver: liefde.
 202  Deze: Jeremias, de profeet; klaeghlieden: klaagliederen.
 203  de verstooringe: de verwoesting.


[p. 92]

[204] en de ongelucken by het Iodische volck uytgestaen onder den Baby- 204   [205] lonischen Nebucadnezar: Die, met zijn snarenspel getreurt over de 205   [206] bloedstortinge en aenstoot de welck Ierusalem vande Tyran Antiochus 206   [207] te verwachten stond. effen alzoo beklagen wy mede het uyterste en 207-208   [208] grootste iammer dat de Dochter Sion onder de Roomsche Keyzeren [209] Vespasiaen en Titus is overkomen, en vieren de uytvaert dezes beroem- 209   [210] den geslachts. Mijn Zangeresse vanden hoofde ten voeten toe in rouwe, 210   [211] treurt over die verwoestingh die Christus aller Engelen en geloovigen [212] blyschap tranen gekost heeft, onaengezien hy dezes versteenden volcx 212   [213] wreedheyd in zynen vleesche voelde, en den kelck der bitterheyd korts 213   [214] van haer ontfing. Maer och hoe vaeck hebben wy gewenscht dat onze 214   [215] rymen mochten antwoorden de weerdigheyd vande stoffe: voorwaer 215   [216] zoodanigh wezende, dat wy hier van onze geringheyd moeten roemen, 216   [217] en belyden dat het maer stuckwerck is wat wy voortbrengen: want 217   [218] het gene de Latijnsche Treurspeelder door zijn van droefheyd over- 218   [219] wonnen Koninginne uytschreeuwt:

220
      Non unquam tulit
 Documenta Fors majora, quam fragili loco
 Starent superbi.
 204  by: door.
 205  Nebucádnezar: of Nabuchodónosor, een van de bekendste koningen van 't nieuw Babiloniese rijk. Kwam in 604 v. Kr. op de troon. Hij verwoestte in 586 Jeruzalem en voerde bewoners en tempelschatten mee naar Babilon; Die: David.
 206  de bloedstortinge....: 't bloedvergieten en de ergernis; Antíochus: Antiochus IV, Epíphanes de doorluchtige, kwam in 170 v. Kr. in Jeruzalem, verwoestte de tempel en de stadsmuren, en beval later op 't brandaltaar te offeren aan 'n afgodsbeeld en de Joodse eredienst uit te roeien (1 Machab. 1, 21-vlgg.; 2 Mach. 6).
 207-208  effen alzoo: evenzo; het...iammer: jammer ook nu nog de- en het-woord; de Dochter Sion: Sion, de Davidstad, de bergvesting, door David herbouwd en versterkt; ook de tempelberg wordt dikwels Sion genoemd; dochter Sion voor Sion, is 'n gewone Bijbelse verpersoonliking, vergelijk r. 231; Roomsche: Romeinse.
 209  Vespasiaen en Titus: zie voor Vespasiaan r. 144-145; voor Titus vs. 7 van de Klinckert hiervoor; vieren de uytvaert: gedenken plechtig de ondergang (de uytvaert vieren: 'n plechtige begrafenis houden).
 210  Mijn Zangeresse voor 't meer heidense: mijn zanggodin, m'n Muze.
 212  Kristus schreide over de toekomstige ondergang van Jeruzalem (Matth. 23:37); onaengezien: ofschoon.
 213  in zynen vleesche: aan z'n lichaam; korts: kort daarna.
 214  van haer: van hun.
 215  antwoorden: beantwoorden aan.
 216  zoodanigh wezende: die zo verheven is; roemen: getuigen van (van onze geringheid roemen, naar 2 Kor. 11:30).
 217  stuckwerck: onvolmaakt werk ('n stuk van 'n werk).
 218  de Latijnsche Treurspeelder: de Latijnse treurspeldichter, Seneca; Voor Vondel is hij in deze tijd nog dè treurspeldichter; overwonnen: overmand; Koninginne: Hecuba, in Seneca's treurspel Tróades (zie blz. 76 vs. 1).


[p. 93]

[223] Het zelfde mogen wy door onze bedruckte Vorstinne aldus uyt- 223   [224] roepen:

225
 Het Loth en wees noyt klaerder aen
 Hoe slibb'righ dat de trotze staen. 226  

[227] En zullen wy met Euripides Seneca en andere Poëten dingen nae 227   [228] den palm, dat is, om wie van ons beyden hooghdravender en uytne- 228-229   [229] mender zaecken verhandelt: de Ioodsche Stammen van wegen haer [230] afkomst zijn by ons niet leeger geadelt als de Phrygen by haerlieden. 230   [231] De Dochter Sion wijckt niet voor Hecuba, noch Ierusalem voor thien 231   [232] Troijens. Ginder was de Kerck van Minerve: hier des Heeren Tempel 232   [233] dat zesenveertighjarige getimmer, het welck aller uytheemschen oogen 233   [234] in Syrien lockte, en waer in de Nijd niet als enckel schoonheyd ver- 234   [235] achte. Daer stond het Palladium: hier school de Arcke des Verbonds 235   [236] bedeckt met goude Cherubynen, en meer heylighdoms elck om het 236   [237] heerlijcxste. Oock is de Iordane die den Israeliten weeck, en de Beke 237   [238] Cedron over de welcke Iesus gingh meerder als Xanthus. Davids burght 238   [239] gaet Ilium te boven. Zy hebben het Griecxsche leger, wy de Roomsche 239   [240] heyrkrachten aengevoert. Hare Oversten en voorbarighste waren Agam- 240-241  

 223  onze bedruckte Vorstinne: 't droeve Jeruzalem.
 226  slibb'righ: wankel.
 227  Euripides de grote Griekse treurspeldichter (zie Dl. 1, blz. 472 op vs. 1).
 228-229  dingen nae den palm, dat is, om wie: dingen naar de palm, dat is er om wedijveren, wie; hooghdravender: verhevener; verhandelt: behandelt.
 230  niet leeger geadelt: niet lager geadeld, van minder adelike grootheid; de Phrygen: de Phrygiërs, 'n volk in klein Azië, dikwels als algemene naam voor de Trojanen; by haerlieden: bij hun (die oude heidense dichters).
 231  De Dochter Sion: zie op r. 208.
 232  Minerve: Minerva, de Latijnse weerga van de Griekse Pallas Athene, de godin van de wijsheid en van de kunsten (in Troje stond volgens Homeros 'n beroemde tempel van Pallas Athene; zolang 't beeld van deze godin 't ‘Palladium’ in Troje was, kon de stad niet worden ingenomen.
 233  dat zesenveertighjarige getimmer: dat gebouw, waar 46 jaar aan gewerkt is; aller uytheemschen oogen: de ogen van alle vreemdelingen.
 234  in Syrien: naar Syrie: Judea, was toen 'n deel van de provincie Syrië; naar 2 Machab. 3 (2, 3 en 12), werd de tempel die na de terugkeer der Joden volgens 't verlof van Cyrus herbouwd was, in de hele wereld bewonderd; niet als: niets dan.
 235  het Palladium: zie aant. op regel 232.
 236  bedeckt met goude Cherubynen: op de heilige bondskist waren aan de twee smalle zijden goude cherubijnen met uitgespreide vleugels; meer heylighdoms...: meer heilige voorwerpen, alle zo kostbaar mogelik, alle heel kostbaar.
 237  die den Israeliten weeck: die opzij week voor de Israëlieten; Jozuë en de Israëlieten trokken door de Jordaan, terwijl 't water stilstond en zich ophoopte (Jozuë 3:15-17).
 238  meerder: van hoger waarde; Xanthus: de bekende rivier bij Troje.
 239  Ilium: de vestingstad van Troje; Zy: de dichters van de oudheid, die de val van Troje bezongen hebben (Homeros, Euripides, Seneca e.a.).
 240-241  Hare Oversten: hun bevelhebbers, legeraanvoerders; voorbarighste: dapperste, voornaamste voorvechters; Agammemnon, Menelaus, Achilles en Pyrrhus: Griekse helden in de strijd voor Troje.


[p. 94]

[241] memnon en Menelaus, Achilles en Pyrrhus: mijn Veldheeren zijn Ves- [242] pasiaen, de strijdbare Titus zynen zone en andere. Laetze al haer best 242   [243] Laomedon, Priamus en Hector roemen: ick zal Iosua, Gedeon, David, 243-244   [244] Salomon, en de andere Koningen en Helden pryzen. Willenze met de [245] Amazone, Penthesilea proncken: ick zal met Debora, Iudith en zulcke 245   [246] Heldinnen brageren. Zy hebben de Rhaeteesche heuvelen, bewandelt 246   [247] van zoo veel doorluchtige mannen, gezongen: wy de heylige bergen, 247   [248] vaeck betreden van zulcke, die, haer werck onder maen verricht hebben- 248   [249] de, als blixemen door het azuyr en het goud des blinckenden Hemels nae 249-251   [250] den vrolijcken stoel Gods opvoeren. Wederom, die verzierde twist rees [251] uyt Paris oordeel: deze uyt Pilatus vonnis. Gene Scheydsman oordeelde [252] Venus te gevalle om de schoone Helena: deze Rechter den Ioden om 252   [253] de Keyzerlijcke gunst. De een gaf een gewaende Godinne den twist- 253   [254] appel als het verdiende pand van hare schoonheyd: de ander leyde 254   [255] den betuyghden levendigen Zone Gods het Kruys op zijn schouwderen 255   [256] als verschulde straffe van zijn mismaecktheyd. Cytherea behield op 256   [257] Ida den zege: Christus wierd op Calvarien gedoemt. en zoo voort. Dit 257  
 242  strijdbare: dappere; al haer best: uit al hun best, zo goed ze kunnen.
 243-244  Laomedon, Priamus en Hector: Trojaanse helden; Iosua, Gedeon, David, Salomon: bekende aanvoerders en koningen in de Joodse geschiedenis.
 245  Amazone: de Amazonen, 'n mythies volk van krijgshaftige vrouwen dat aan de Noord-kust van Klein-Azië woonde; Penthesiléa: de koningin der Amazonen, bondgenote van Priamos tegen de Grieken; Débora en Iudith: beide deugdzame en heldhaftige vrouwen uit 't Joodse volk, die hun streek aan den ondergang ontrukten.
 246  brageren: roemen; Rhaeteesche heuvelen: 't gebergte Rhaetéum van 't landschap Troas (waarin Troje lag) bij de Hellespont.
 247  van: door; gezongen: bezongen.
 248  onder maen: op aarde.
 249-251  nae den vrolijcken stoel Gods opvoeren: naar Gods blije hemel opstegen (opvaren: omhoog gaan; stoel Gods: Gods hemel, zie blz. 91 r. 193); wederom: aan de andere kant; die verzierde twist: die verzonnen strijd voor Troje; rees uyt Paris oordeel: kwam voort uit Paris' oordeel; Paris had volgens de mythe, de beslissing wie van de drie godinnen Pallas, Juno of Venus de schoonste was, en dus de gouden appel zou ontvangen voor de schoonste bestemd door godin Eris (de twistgodin); hij wees die toe aan Venus; en zo berokkende hij zichzelf en z'n vaderland Troje de onverzoenlike haat van de beide anderen.
 252  Venus had aan Paris de schone Hélena tot vrouw beloofd, als hij haar de appel toekende; Venus te gevalle: (Venus tot genoegen) tot genoegen van Venus.
 253  om de Keyzerlijcke gunst: de Joden riepen Pilatus toe: als gij deze (Kristus) vrijlaat, zijt ge geen vriend van de keizer (Joannes 19:12); gewaende: vermeende (niet-werkelike).
 254  pand: bewijs; de ander: Pilatus; leyde: legde.
 255  den betuyghden....: de uitdrukkelik verklaarde, de werkelike, levende zoon van God.
 256  als verschulde straffe van zijn mismaecktheyd: als verschuldigde straf voor zijn mismaaktheid (door de zonden die God op Hem gelegd had, omdat Hij zich had aangeboden) zie Isaïas 53:5, 6, 7; verschulde: verschuldigde; Cytheréa: Venus, de Cytheriese genoemd omdat zij volgens sommigen uit 't schuim der zee bij Kythéra was geboren.
 257  Ida: 't Ida-gebergte bij Troje, waar Paris 't oordeel uitsprak; wierd.... gedoemt: werd veroordeeld.


[p. 95]

[258] dan aldus tegen malkanderen overwogen, zoo zietmen met een half [259] oogh welcke stoffe van beyden meest weeght, en hoe de Zonne des 259-260   [260] heyligen Geestes alle Heydensche sterren met haren glans uyt doet. [261] Indien de Lezer greetigh is om de nuttigheyd van dit werck en de 261   [262] oorzaecken van Israëls val nae te vorschen, hy geve den Engel Gabriël [263] gehoor wien wy in het eynde de verklaringe des zelfs bevolen laten. 263   [264] Maer ontbeyd, ick zie alreede het tooneel openen, en het volck met 264   [265] opgesteken ooren en gapende monden nae den inhoud van het Spel 265   [266] luysteren. Het is hoogh tijd dat wy zwygen.

 259-260  de Zonne des heyligen Geestes: de openbaring van de H. Geest, de H. Schrift die ons dit alles van Kristus verhaalt; alle Heydensche sterren: de heidense gedichten.
 261  greetigh: begerig.
 263  in het eynde: op 't eind (van 't treurspel); des zelfs: hiervan; bevolen laten: overlaten.
 264  ontbeyd: wacht; openen: opengaan.
 265  opgesteken ooren: gespitste, scherp luisterende oren (opgesteken oorspr. vorm van opgestoken); gapende: open.


[p. 96]

Het inhoud. *  

[1] Zedert dat de Ioden hare grouwelen en zonden, begaen in het dooden [2] en vervolgen der Propheten, hadden opgehoopt met het onmenschelyck 2   [3] bloedvergieten en mishandelen des onschuldigen Lams, en andere vrome 3   [4] Heyligen Gods: zoo heeft haer verdoemenisse niet geslapen. want Florus, 4   [5] die naemaels vande Keyzer Nero was gestelt als Landvooghd over Iudea, 5   [6] ontstack met zyn inslockende gierigheyd en onverdraeghlycke wreed- 6   [7] heyd den brand van tweespalt: waer uyt vele jammerlycke beroerten en 7   [8] bloedige slachtingen tusschen Ioden en Romeynen langhs hoe meer zijn 8   [9] ontstaen: zoo dat eyndlijck de Keyzer veroorzaeckt was Vespasiaen, 9   [10] als Veldoverste over het Syrische krygsvolck, derwaerts te zenden: die [11] vergezelschapt met zynen zone, Iotapata daer Iosephus gevangen wierd, 11   [12] en voorts het Iodische land met meest alle de omliggende plaetsen ver- [13] meestert, en Ierusalem bezet hebbende, tydinge kreegh hoe nae Neroos [14] rampzalige dood, Galba en Otho omgekomen wezende, Vitellius het 14   [15] gebied tot zich getrocken hadde: waerom de Roomsche Hoofdluyden 15   [16] hem drongen het Keyzerdom te aenveerden en derwaerts te trecken, 16   [17] gelijck hy oock dede, latende Titus de volendinge van het aengevangen [18] oorloogh bevolen. Ondertusschen was het te Ierusalem zoo verre ge- [19] komen datze als in slaghoorde in dry rotten vyandelyck gedeylt stonden, 19  

 *  In de tietel: Het inhoud: inhoud was vroeger ook 'n het-woord.
 2  opgehoopt: tot 't uiterste (hoogste) hadden gebracht.
 3  des Lams: van 't Lam, Kristus.
 4  heeft.... geslapen: is hun veroordeling niet uitgebleven.
 5  naemaels: later; vande: door.
 6  gierigheyd: begerigheid.
 7  den brand van tweespalt: 't vuur der tweedracht; beroerten: oproeren.
 8  slachtingen: veldslagen, moordpartijen; langhs hoe meer: al langer hoe meer.
 9  veroorzaeckt: genoodzaakt.
 11  zynen zone: Titus; Iotápata 'n stad in Palestina; daer: waar; Iosephus: Flavius Josephus, de Joodse geschiedschrijver.
 14  Galba stond met Otho tegen Nero op; toen Nero gedood was werd Galba keizer, en werd door toedoen van Otho vermoord in 69 n. Kr., daarna werd Otho keizer; maar hij werd op zijn beurt weer door Vitellius gedood, die zich door z'n troepen tot keizer liet uitroepen. Intussen was Vespasianus door de troepen in Palestina tot keizer uitgeroepen; deze drongen Italië binnen, versloegen 't leger van Vitellius, die bij de bestorming van Rome om 't leven kwam (70 n. Kr.).
 15  het gebied: de heerschappij; waerom: en daarom ('t Latijnse quare); de Roomsche Hoofdluyden: de Romeinse legerbevelhebbers.
 16  hem drongen: bij hem aandrongen; Keyzerdom: keizerschap; derwaerts: naar Rome.
 19  slaghoorde: slagorde (-oorde naast -orde zoals boord naast bord); in dry rotten...: in drie partijen vijandig tegenover elkaar verdeeld stonden; deylen de oorspr. vorm van delen.


[p. 97]

 +   [20] te weten: de Zeloters, die Eleazar aenhingen, hadden den Tempel, Io- 20-21   [21] hannes het onderste, en Simon Giore zoon het opperste deel der Stad in. 21   [22] Titus hier van verwittight heeft deze gelegentheyd waergenomen, en in het [23] 72. jaer nae Christus geboorte, 't welck is het tweede jaer van Vespasiaens 23   [24] Ryke, op den 14en. vande maend April, als de Ioden haer Paeschfeest 24   [25] vierden, de Stad met zyn Ruyterije berent belegert, en eerlange nae veel 25   [26] gehouden schermutselingen en gedane stormen met een muyr in dry dagen 26-27   [27] tyds bezet en besloten: waerop gevolght is een onlydelycke honger- [28] snood, die de burgerlijcke beroerten dede aengroeyen, en ontallijcke 28   [29] menschen versmachten: zoo datze genoodzaeckt waren de doode licha- 29   [30] men over Stads muyren inde grachten te worpen, jae een edel Ioffrouwe 30   [31] spyze van haer onnoozel kind most bereyden. De thiende dagh van 31   [32] Oeghstmaend wierd het vuyr inde Tempel gesteken, daer een onmen- 32   [33] schelijcke slachtingh gebeurde, en alle Priesterlijcke gebouwen afbranden. 33   [34] En hoewel de Keyzer hun vaeck hulde aenbood, en haer beloofde in 34   [35] genade op te nemen zoo zy haer goedwilligh overgaven: nochtans 35   [36] volherden zy inde voorgaende halstarrigheyd, tot dat ten lesten op de 36  
 +  TEKSTKRITIEK: regel 22, 23 in het 72. jaer, de oude uitgave heeft in het 72.
 20-21  Zeloten, zgn. ijveraars voor God en Zijn Wet, waren roversbenden die uit de door de Romeinen veroverde steden gevlucht, 't land afstroopten en Jeruzalem binnentrokken, waar ze door hun mooi voordoen eerst als 'n hulp tegen de Romeinen werden ontvangen, maar al gauw begonnen met de aanzienliksten te vermoorden en de tempel te onteren; Eleázar stond aan 't hoofd van de Zeloten, stelde zich ter verdediging tegen Johannes en Simon op in de tempel (zie Fl. Josephus' Joodse Oorlogen 5:1); Iohannes: Johannes van Giscala, 'n rovertype als Eleazar; na de inneming van Giscala plaatst hij zich aan 't hoofd van 'n partij in Jeruzalem. Hij verenigde zich met Simon, 'n zoon van Gioras (Giore = Gíorae: Latijnse vorm); de Joden hadden deze als 'n bevrijder van de dwingelandij van Joh. van Giscala ontvangen, maar met deze samen richtte hij nog 'n groter bloedbad aan dan de Romeinen zelf, die de stad belegerden; hadden... in: hielden bezet.
 21  het onderste....: de benedenstad (de Z.O. heuvel, vroeger Sion of Davids stad); het opperste....: de bovenstad (de Z.W. heuvel, 't oude Jeruzalem).
 23  in het 72. jaer: in 't 72ste jaar.
 24  Ryke: regering.
 25  berent: bestormd; belegert: z'n leger er om heen gelegerd; eerlange: weldra.
 26-27  stormen: bestormingen; met een muyr... bezet en besloten: met 'n muur omringd en afgesloten (omsloten); waerop: en daarop; onlydelycke: onverdragelike.
 28  burgerlijcke beroerten: oproeren onder de burgers; ontallijcke: ontelbare.
 29  versmachten: omkomen.
 30  te worpen: te werpen (worpen naast 't oorspr. werpen); een edel Ioffrouwe: 'n adelike vrouw; Ioffrouwe naast Juffrouw.
 31  onnoozel: onschuldig; dit wordt verhaald door Flavius Josephus: Joodse Oorlogen 6:21 en in Egesippus' Verwoesting van Jeruzalem 5:40.
 32  Oeghstmaend: Augustus; daer: waar.
 33  Priesterlijcke gebouwen: de gebouwen voor woning en bedieningen van de priesters in 't priestervoorhof, dat 't eigenlike tempelgebouw omringde.
 34  hulde: genade; haer: hun.
 35  haer: zich; goedwilligh: zonder verzet.
 36  voorgaende: vroegere.


[p. 98]

[37] achtste dag van Herbstmaend de overstad gewonnen, en alles in vuyr en 37   [38] bloed wierd gestelt. Nae de overwinninge ontbrack het den Roomschen 38   [39] Soldaten aen geenderhande moetwil en wreedheyd over de verwonnene 39-40   [40] te plegen. Titus de schuldige nae haer verdienste gestraft en zeven hon- [41] derd iongelingen sterck van lichaem tot het aenstaende zegefeest, dat 41   [42] hy te Roome dacht te houden, uytgezondert hebbende, bedanckte zijn 42   [43] Krijghsluyden voor haer dapperheyd inde strijd betoont, verplichte haer 43-44   [44] manhaftigheyd met den verkregen roof en eerlijcke ampten, en offerde [45] danckbaerlijck op de heylige plaetse des Tempels zijn Goden. Daer nae 45   [46] stelde hy Terentius Ruffus tot Overste van zijn thiende bende, die hy 46   [47] tot bezettinge liet vande verwoeste Stad, en vertrock met het gansche 47   [48] leger en de gevangenen. En dewijl de geschichtboecken melden dat 48   [49] Simeon Christenbisschop met zijn heylige vergaderinge, volgens het ont- 49   [50] fangen Godlijck antwoord, van Ierusalem te Pella vluchte, en als Iudea 50   [51] wat in ruste was weder te Ierusalem metter woon quam: zoo hebben wy, 51   [52] om ons geheel werck Christelijcker wyze te verklaren, en alles leerlijck 52   [53] voor oogen te stellen, verziert, dat hy met de zyne wederkeerende als 53   [54] het leger iuyst vertrocken was, en de verwoeste Stad bezichtigende: hun [55] de Engel Gabriël, met een Hemelsche klaerheyd aengedaen, verschijnt, 55   [56] die henluyden volkomentlijck ontsluyt de oorzaecken vanden val en 56  
 37  Herbstmaend: September; herbst-: herfst- (herbst uit 't Duits); overstad: bovenstad.
 38  wierd gestelt: werd gezet.
 39-40  over de verwonnene te plegen: om die tegen de overwonnenen te plegen; de hele zin: veel moedwil en wreedheid hebben de Romeinse soldaten tegen de overwonnenen bedreven.
 41  tot het aenstaende: voor 't aanstaande.
 42  uytgezondert: uitgekozen.
 43-44  verplichte.... met: beloonde hun dapperheid met de gewonnen buit en eervolle (eerlijcke) ambten (verplichten: verzorgen; zoals in 't middeleeuws en ons verplegen dat verwant is met verplichten).
 45  zijn Goden: aan z'n goden.
 46  stelde: stelde aan; Overste van: bevelhebber over; bende: legioen.
 47  liet: achterliet.
 48  dewijl: omdat; de geschichtboecken: de geschiedboeken (geschicht, zie Dl. 1 blz. 472 op vs. 9).
 49  Simeon Christenbisschop: de kristenbisschop Simeon. Na de dood van de apostel Jacobus de Mindere werd z'n broer de heilige Simeon, bisschop van Jeruzalem; deze is op 120 jarige leeftijd in 107 gekruisigd; heylige vergaderinge: kristenschaar (heilige 't gewone woord voor kristen; aan Kristus gewijd).
 50  Godlijck antwoord: goddelik bevel; te: naar; als Iudea....: toen Judea wat tot rust gekomen was.
 51  metter woon quam: wonen kwam.
 52  Christelijcker wyze: op kristelike wijze; leerlijck: leerzaam.
 53  verziert: verzonnen, verbeeld; hij.... wederkeerende: toen hij met de zijnen terugkeerde.
 55  aengedaen: omkleed.
 56  henluyden: hun.


[p. 99]

[57] ondergangh des Iodischen volcx, met meer omstandigheden die daer aen 57   [58] vast zijn. Daer hebdy het kort inhoud van ons treurspel, genomen uyt 58   [59] Iosephus 2. 3. 4. 5. 6. en 7. en Egesippus 2. 3. 4. en 5. en Eusebius 2. 59   [60] en 3. en Carions 3. boeck, en uyt meer andere Schryvers. Het tooneel 60   [61] is op rondom en ontrent de verwoeste plaetsen daer het Krijghsvolck 61   [62] legert, en Ierusalem gestaen heeft.

 57  meer: verdere.
 58  hebdy: hebt ge.
 59  uyt Iosephus: uit Flavius Josephus' Joodse Oorlogen boek 2, 3 enz. (al die sijfers horen bij ‘boeck’ in de volgende regel: 2e boek enz.); Egesippus: Hegesippus' Verwoesting van Jeruzalem; Eusebius: bisschop van Cesarea in de 4e eeuw, de vader van de kerkgeschiedenis. Hier wordt bedoeld z'n Chronica waarin hij de geschiedenis der Joden verbindt met die van de andere volken.
 60  Carion: Lod. Carrion, geb. in Brugge 1547, hoogleraar in Leuven, gest. 1595; hier wordt bedoeld 't 3e boek van Antiquarum lectionum commentarii tres enz.
 61  daer: waar.


[p. 100]

 +  
 +  TEKSTKRITIEK: vs. 12 baer, de oude uitgave heeft haer.

Aende Ioodsche Rabbynen. *  
Klinckert. *

 De Rey uws Priesterschaps was als van blyschap droncken 1  
      Doen Iesus hingh aen't hout met ermen uytgestreckt, 2  
      Gekruyst, gegeesselt, en bespogen, en begeckt, 3  
 Om dat hem was den Kelck der bitterheyd geschoncken: 4  
  
5
 Zy dachten luttel dat Rechtveerdigheyd, die boven
      In 's Hemels gulden schoot de weeghschael recht op houd, 6  
      't Onschuldigh bloed meer schat als fijn Ophirisch goud, 7  
 En telt al 't zuchten vande Waerheyd hier verschoven. 8  
  
      Maer als de dagh aenbrack die God beschoren had 9  
10
      Tot wraeck van 't schelmstuck van die Godvergeten Stad 10  
 En 't volck dat veyligh dacht te staen op heyl'ge dremp'len: 11  
  
      Doen zaghmen baer wat zonde al plagen met zich brocht, 12  
      En dat de Boosheyd tot geen borstweer strecken mocht
 Geweld van muren noch schijnheyligheyd van Temp'len. 13-14  

Door een is 't nu voldaen. *  

 *  In de tietel: Rabbynen: priesters, schriftgeleerden.
 1  De Rey uws Priesterschaps: de schare van uw priesters, al uw priesters.
 2  Doen: toen; ermen: zuidelike bijvorm van armen.
 3  begeckt: bespot.
 4  geschoncken: volgeschonken.
 6  In 's Hemels gulden schoot: in 't goude verblijf van de hemel, in de goude hemelwoning; recht op houd: rechtvaardig omhooghoudt.
 7  Ophirisch: van Ophir, 'n goudrijk land in Zuid Arabië naar men meende (zie Dl. 1, blz. 444, vs. 385), waarschijnlik lag 't in Indië.
 8  verschoven: verstoten, veracht.
 9  beschoren: bepaald.
 10  wraeck: straf.
 11  op heyl'ge dremp'len: op de heilige terrassen (van de tempel), in de heilige tempel, dus: ze meenden zich veilig, omdat ze de (enige) tempel van de ware God hadden (zie vs. 14).
 12  baer: openlik; wat.... al: wat al plagen.
 13-14  En dat aan de bozen (Boosheyd) machtige muren en tempels die ze in schijnheiligheid vereerden, niet konden dienen tot verdediging (borstweer) tegen Gods wraak; (geweld: macht).
 *  Door een is 't nu voldaen: letterkeer van Vondels naam, zie Dl. 1, blz. 476, onderaan.


 

AAN DEN GEDICHTLIEVENDEN LEZER.

Dat de Alderhoogste van het onmenschelijk bloedvergieten eenen afkeer heeft, zulks hebben ook de blinde Heidenen eenigsins gedroomd en gevoeld: want zij ontzagen, den altaren en den dingen, die zij heilig schatten, te genaken met handen of kleederen, die besprenkeld waren met beesten- of menschen-bloed. Dit geeft Virgilius, door zijnen vluchtenden Æneas, eendeels te kennen daar hij hem doet spreken:

Wilt, Vader! kuische vingren aan
D’ huisvaderlijke Goden slaan;
’t Waar mij een schandvlek rechtevoort
Die, nu ik uit zoo versche moord
En zulken slachting koom gevloôn,
Te roeren, eer ik rein en schoon
Heb afgewasschen ’t laauwe bloed,
In ’t water van een frissche vloed.

En Homerus door zijnen strijdbaren Hector:

’t En past niet, dat me God Jupijn
Met onrein’ handen offert wijn:
De schaamt’ verbiedt me, nu ’t gemoed
Van menschenslachten en van ’t bloed
Ontsteld is, voor den Goden luid
Te storten mijn gebeden uit.

En gewisselijk God de Heere schijnt hier in bijna met zich zelven te strijden, wanneer hij den koning David, die voorgenomen hadde hem een huis te timmeren, aldus aanspreekt: gij en zult mijnen name geen huis bouwen, want gij zijt een krijgsman en hebt bloed vergoten. Hier uit vloeit dan niet als te krachtiger, gelijk ook de koninklijke Profeet leert, dat de dood der heiligen weerd gehouden is voor den Heere: hetwelk ook betuigd werd door de schrikkelijke oordeelen Gods, geveld over de tyrannen, die zijn volk verdrukten, en haar handen in het bloed der rechtveerdigen verwden. Hoewel dit den Joden, zoo uit de wat en Profeten als andersins, overvloedig bekend was, nochtans hebben zij haar niet ontzien Gods Profeten en zend-boden te dooden en te steenigeNu, gelijk de Heere Kristus herluiden zulks in het Evangelie voorwerpt; alle welke zonden en grouwelen zij ten leste hebben opgehoopt met het onmenschelijk bloedstorten en kruisige n van de verschenen Zaligmaker, die, naar Ezaias voorzegginge, doen hij gestraft en gemarteld wierd zijnen mond niet opdede, als een lam dat ter slachtbank geleid wordt, en als een schaap dat stom wordt voor zijnen scheerder, en zijnen mond niet op en doet, en die zoo klagelijk door den Psalmist uitroept: Mijn God, mijn God! waarom hebstu my verlaten? en nog: Ik ben een worm, en geen mensche, eenen spot der lieden, en verachtinge des volks; alle die mij zien sperren den mond op, en schudden den kop. Maar nadat nu de goddelooze menschen haren bloeddorstigen moed gekoeld en die afgrijselijkste zouden volbrocht hadden, zoo is de wrake des rechtveerdigen rechters hun kort op de hielen geweest, en zij zijn, van dag tot dag, aan alle kanten jammerlijk overvallen, als van stormen en plasregens van allerlei plagen en ellenden, die eerst met den eindlijken en geheelen ondergang des Joodsshen volks zijn ge-eindigd: gelijk Josephus, Egesippus, en andere geschichtschrijvers daar van op het breedste handelen, en Carolus Langius zulks zijnen Lipsius kort en geleerdelijk als in een tafel voor oogen stelt, zeggende: „Laet ons van Iudea beginnen, dat is van een heyligh land en volck Gods. Ick gae voorby het gene zy in Egypten, en na haren optocht uyt Egypten geleden hebben: want dat is ons duydelyck genoegh inde heylige boecken naegelaten: Ick kome tot de zwaerste en tot die gene, die als aen haer uytvaert behooren. Het welck ick best elck in het byzonder als met een register zal verklaren. Zij hebben dan met het in en uytlandsche oorloogh dit uytgestaen:

Voor eerst zijnder te Ierusalem door het bevel van Florus gkedood zes honderd en dartigh.
Te Cesariën op een tijd van de inwoonders, uyt haet van het volck en de godsdienst, twintich duyzend.
Te Scythopolen, een stad in Syriën, darthien duyzend.
Te Ascalon in Palestynen oock vande inwoonderen twee duyzend vijf honderd.
Te Ptolemaïde van geljcken twee duyzend.
Te Alexandriën in Egypten onder de voogdije van Tiberius en Alexander vijftigh duyzend.
Te Damascus thien duyzend.
En dit alles heeft zich als door een beroerte en oploop toegedragen en daer nae met een wettelijck en openbaer oorlogb van de Romeynen:
Ioppe ingenomen wezende, zijnder van Cesius Florus verslagen acht duyzend vier honderd.
Op zekeren bergh Cabulon twee duyzend.
Inde slagh by Ascalon thien duyzend.
Wederom door verraed acht duyzend.
Te Aphaca als het ingenomen was vijfthien duyzend.
Op den berg Garizim zijnder verslagen elf duyzend vijf honderd.
Te Iotapata, daer Iosephus zelf was, ontrent dartigh duyzend.
Ioppe anermael ingenomen wezende, zoo zijnder verdroncken vier duyzend en twee honderd.
In Taricheën zijnder verslagen zes duyzend vijfhonderd.
Te Gamaliën, zoo verslagen, als die haar zelf vande steylte wierpen negen duyzend; en daer is in die stad niet een mensch behouden gebleven, als twee vrouwen wezende gezusters.
Giscala verlaten wezende, zijnder in het vluchten gedood twee duyzend, en zoo vrouwen als kinderen gevangen dry duyzend.
Van Gadarensers zijnder verslagen darthien duyzend, en gevangen twee duyzend twee honderd, behalven die in ontallijcke menighte inde rivier gesprongen zijn.
Inde dorpen van ldumea zijnder verslagen thien duyzend.
Te Gerasiën duvzend.
Te Maeherunten duyzend twee honderd.
In het bosch van Iardes dry duyzend.
In het kasteel Massada, die haer zelven hebben gedood, negen honderd zestigh.
Te Cyrenen zijnder van Catulns de Landvooghd verslagen dry duyzend.
Maar gedurende de belegeringe, zijnder inde stad Hierusalem zeil gestorven, en verslagen thienmael honderd duyzend, en gevangen zeven en negentigh duyzend.

Dit getal beloopt, behalven ontellijcke die achtergelaten zijn, twelfnael honderd en veertigh duyzend. Wat zeghdy Lipsius? slady bier over uwe oogen nederwaerts? heftze liever op: en schroomt niet met my, de veeljarige oorloogen van gants Christenrijck met de nederlage van dit eenige volck te gelijcken: maar hoe kleynen stucxken lands en hoop volcx is dat geweest ten aenzien van geheel Europa? Dus verre uit Lipsius.

Daar zien wij, wat het kost den Vorst des levens te dooden, en het bloed, dat genoegzaam is tot een rantsoen voor des geheelen werelds zouden, op zoo geringe weerdije te stellen. Met de aandachtige oudvader Hieronymus mogen wij van Jeruzalem spreken: Fame perit, ante quam gladio. De stad vergaat eer door honger als door het zweerd; en liever, als een volkomen verhaal te doen van de ellenden, die gedurende de belegeringe voorgevallen zijn, willen wij, ons daar over verwonderende, met den poëet roepen:

Quis eladem illius noctis, qua funera fando
Explicet; aut possit lacrymis æquare labores?
Urbs antique ruit, multos dominata per annos:
Plurima perqne vias sternuntur inertia passim
Corpora perque domos, et religiosa deorum
Limina.
Dat is:
Wie zal de lijken, wie de neêrlage ons verklaren
Van die vervloekte nacht? of konnen evenaren
Met tranen al het leed? die oude stad, die stond
En had zoo lang ’t gezag, stort plotseling te grond.
Veel olick volksken men alsins ter neêr doet stromplen,
Langs straat, in huis, en op der Goôn gewijde dromplen.

Josephus, zelf een Jode, erkent deze nederlage te zijn een bijzondere goddelijke wrake, overmids de tyrannen te Jeruzalem, meer door vreeze als nood, uit hare onwinbare vastigheid weken; en Titus, na het veroveren der stad, zich verwonderende over den geweldigen bouw van torens en muren, en ser ateenen hooge, groote, en behendige te zamenvoeginge zeide: gewisselijk God heeft voor ons gestreden, en zelf de Joden uit zulke vestingen gedreven; want wat menschenhanden of stormgeveerte mocht hier tegen gelden? Dit wordt, behalven uit meer omstandigheden, die wij om de kortheid voorbij gaan, ook hier mede bevestigd, overmids zij niet van ecn onmenschelijk tyran maar van een goedertieren prince bestreden zijn, die liever haar behoud als ondergang zocht, en gebonden wierd voor de wellust en het vermaak des menschelijken geslachts. Dat dienvolgende de Romeinen dit voor een uitnemende overwinning hebben geacht, blijkt uit het heerlijke zegefeest, over der Joden nederlage te Romen gevierd: alwaar Vespasiaan, Titus, en Domitiaan, met loverkransen en purper gecierd, de triumfpoorte inreden: daar der Romeinen beelden en afgoden, mitsgaders de arke des verbonds, de gouden tafel, Mozes en Aärons mede, vier tempelstijlen, de toonbrooden, den gulden kandelaar, de wettafelen, en andere heiligdommen, met een wonderbaarlijke pracht, statig heromme gevoerd wierden, en daar de schare van de gevangen Joden, dragende de handen op den rug gebonden, en naakt ten halven lijve hun vijanden een gaapspel verstrekten, en met haar versmaadheid der Heidenen statie verheerlijkten. Van deze gehouden zegefeest getuigt nog op huiden te Rome de Arca triumphalis of Triumfboge, staande in via sacra boven de kerks van S. Maria nova, opgetrokken van schoone marmor, en met goud gecierd: in dewelke deze woorden in steen, tot een eeuwige geheugenisse, uitgehouwen staan:

SENATVS POPVLVSQVE ROMANVS DIVO TITO DIVI VESPASIANO FILIO, VESPASIANO AVGUSTO, ET OB VICTORIAM ET PERPETVVM —

de volgende letteren heeft de nijdige tijd en grijze ouderdom uitgewischt. Ook is er nog een ander schrift aldus:

S. P. Q. R. IMP. TITO, CAES. DIVI VESPASIANI FILIO, VESPASIANO AGVSTO PON. MAXIMO TRIB. POST. IMP. P. P. PRINCIPI SVO, QVI PRAECEPTIS TRIAE CONSILIISQ. ET AVSPICIIS, GENTEM IVDEORVM DOMVIT, ET VRBEM HIEROSOLYMAM, OMNIBVS ANTE SE DVCIBVS, REGIBVS, GENTIBVS, AVT FRVSTRA PETITAM, AVT OMNINO INTENTA, DELEVIT.

Zoo leeg zijn die gene gedaald, die tot den Hemel en aan de sterren verheven waren, een volk, dat eertijds met God en de Engelen gemeenschap hadde: zij, wien vuur, water, aarde, en locht ten dienste stonden, zijn alle dingen tegen geweest, en hebben het al tot vijand gehad, en Rome heeft den roem weggedragen van tot den grond en ondersten wortel toe uitgeroeid en verdelgd te hebben een oude koning- en priesterlijke stad, die, na veel geleden aanvechtingen, van haar eerste grondlegginge 2177 jaren hadde gestaan. Onze versmitste Cunæus mag wel zeggen: Ita vertuntur subitò cuncta, & omninò natura, quat ad originem ruinm parcè utitur viribus suis, ad ruinam toto impetu venit; (alzoo wordt alles schielijk te gronde gesmeten, en de nature die tot der dingen oorsprong al heel spaarzaam hare krachten bezigt, komt met volle geweld ten bederve). En de mond der waarheid voorspelde geen ijdele droomen, als hij sprak: „hier zal niet eenen steen op den anderen blijven,die niet afgebroken zal worden. Het overschot der Joden heeft sedert in gedurige ballingschappen jammerlijk omgezwerfd, en allerlei zwarigheden bloedig en ellendig uitgestaan. Zoo de kinderen der voorvaderen misdaad bekenden, zij zouden blijk beklagen, dat haar ouderen riepen: „zijn bloed zij op ons en onze kinderen! want, gelijk Prudentius zingt:

Exilijs vagus huc illuc fluctantibus errat,
Iudæus, postquam de patria sede revulsus,
Supplicium pro cæde luit, Christiqnu negati
Sangnine respersus commissa piacula solvit.
Dat is:
De Jood, zijnde uit den stoel zijns vaderlands gerukt,
Dwaalt vluchtig hier en daar in ballingschap verdrukt,
’s Moords straffe draagt, en met ’s verzaakten Kristus’ bloed
Besprengd, zijn misdaad en begangen zonde boet.

Niemand, hopen wij, zal ons leep en overdweers aanzien, dat wij dit groot treurspel hier wederom, als op het tooneel, te voorschijn brengen, opdat men aanmerke Gods strengheid over die gene die gevallen zijn: aangezien wij hierin als op het spoor navolgen den heiligen en branden den ijver van den koninklijken harpenaar David, en den Goddelijken dichter Jeremias: van welke beide, deze, in zijn Klaaglieden, heeft beweend de verstoringe der stad Gods en des ganschen koninkrijks, en de ongelukken bij het Jodische volk uitgestaan ouder den Babylonischen Nebucadnezar; — die, met zijn snarenspel getreurd over de bloedstortinge en aanstoot, dewelk Jeruzalem van den tyran Antiochus te verwachten stond. Effen alzoo beklagen wij mede het uiterste en grootste jammer, dat de dochter Sion onder de Roomsche keizeren Vespasiaan en Titus is overkomen, en vieren de uitvaart dezen bemoemden geslachts. Mijn Zangeresse, van den hoofde ten voeten toe in rouwe, treurt over die verwoesting, die Kristus, aller Engelen en geloovigen blijdschap, tranen gekost heeft, onaangezien hij dezes versteenden volks wreedheid in zijnen vleesche voelde, en den kelk der bitterheid korts van haar ontving. Maar och, hoe vaak hebben wij gewenscht, dat onze rijmen mochten antwoorden de weerdigheid van de stoffe, voorwaar zoodanig wezende, dat wij hier van onze geringheid moeten roemen, en belijden, dat het maar stukwerk is wat wij voortbrengen; want het gene de Latijnsche treurspeelder, door zijn van droef held overwonnen koninginne, uitschreeuwt:

— — — — — — — — non unquam tulit
Documenta Fors majora, quam fragili loco
Stament superbi; —

het zelfde mogen wij, door onze bedrukte vorstinne, aldus uitroepen:

Het lot en wees nooit klaarder aan,
Hoe slibbrig dat de trotsche staan.

En zullen wij met Euripides, Seneca, en andere poëten dingen naar den palm, dat is, om wie van ons beiden hoogdravender en uitnemender zaken verhandelt: de Joodsche stammen van wegen haar afkomst zijn bij ons niet leeger geadeld, als de Frygen bij haarlieden. De dochter Sion wijkt niet voor Hecuba, noch Jeruzalem voor tien Trojens. Ginder was de kerk van Minerve: hier des Heeren tempel, dat zesenveertigjarige getimmer , hetwelk sier uitheemschen oogen in Syriën lokte, en waarin de Nijd niet als enkel schoonheid verachtte. Dáár stond het Palladium: hier school de Arke des verbonds, bedekt met goude Cherubijnen en meer heiligdoms, elk om het heerlijkste. Ook is de Jordane, die den Israëlieten week, en de beke Cedron, over de welke Jezus ging, meerder als Xanthus. Davids burcht gaat Ilium te boven. Zij hebben het Grieksche leger, wijde Roomsche heerkrachten aangevoerd. Hare oversten en voorbarigste waren Agamemnon en Menelaus, Achilles en Pyrrhus: mijn veldheeren zijn Vespasiaan, de strijdbare Titus, zijnen zone, en andere. Laat ze al haar best Laomedon, Priamus, en Hector roemen: ik zal Jozua, Gedeon, David, Salomon, en de andere koningen en helden prijzen. Willen ze met de Amazone Penthesilea pronken:

ik zal met Debora, Judith, en zulke heldinnen brageeren. Zij hebben de Rhæteesche heuvelen, bewandeld van zoo veel doorluchtige mannen, gezongen: wij de heilige bergen, vaak betreden van zulke, die, haar werk onder maan verricht hebbende, als bliksemen door het azuur en het goud des blinkenden Hemels naar den vrolijken stoel Gods opvoeren. Wederom, die versierde twist rees uit Paris’ oordeel: deze uit Pilatus’ vonnis. Gene scheidsman oordeelde Venus te gevalle, om de schoone Helena: deze rechter den Joden, om de keizerlijke gunst. De een gaf een gewaande Godinne den twistappel, als het verdiende pand van hare schoonheid: dan ander leîde den betuigden levendigen Zone Gods het kruis op zijne schouderen, als verschulde straffe van zijn mismaaktheid. Cytherea behield op Ida den zege: Kristus wierd op Calvariën gedoemd; en zoo voort. Dit dan aldus tegen malkanderen overwogen, zou ziet men, met een half oog, welke stoffe van beiden meest weegt, en hoe de Zoone des Heiligen Geestes alle Heidensche sterren met haren glans uit doet. Indien de lezer gretigs is, om de nuttigheid van dit werk en de oorzaken van Israëls val na te vorschen, hij geve den Engel Gabriël gehoor, wien wij, in het einde , de verklaringe des zelfs bevolen laten. Maar ontbeid, ik zie alreede het tooneel openen, en het volk, met opgesteken ooren en gapende monden, naar den inhoud van het spel luisteren. Het is hoog tijd, dat wij zwijgen.


GEERAERDT BRANDT: HET LEVEN VAN JOOST VAN DEN VONDEL

Voor deze editie is gebruik gemaakt van het exemplaar KB Den Haag 759 E 1 : 2 : 2 (met dezelfde tekst als KB Den Haag 863 E 58 : 2).
Gepubliceerd op 10 april 1998 door H. Mahfouz en drs. P. Koning.
Redactie dr. A.J.E. Harmsen,
Universiteit van Leiden.
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk. De paginering van het origineel is tussen rechte haken in de tekst ingevoegd. Het boek heeft eigen paginering en katernsignering, maar het hoort fysiek bij:

 

J.V. Vondels Poëzy of Verscheide Gedichten. Op een nieu by een vergadert, en met veele ook voorheen nooit gedrukte dichten vermeerdert: Mitsgaders een aanleidinge ter Nederduitsche Dichtkunste, en het Leven des Dichters. [Vignet: Konst baert roem]. Te Franeker, voor Leonard Strik, Boekverkooper, MDCLXXXII.

Brandts biografie heeft alleen een Franse titelpagina met de tekst:

 


[1] ‘HET LEVEN VAN JOOST VAN DEN VONDEL.’

[2] [De tweede pagina is blanco.]

[3]

J. V. VONDELS LEVEN.

GElyk de Poëzy, wel gebruikt, kracht heeft om de deught met vermaak den menschen in te boezemen, en den gemoederen een afkeer van snoode stukken in te planten, tot het goede door ’t loven t’ ontsteeken, en van ’t quaade door ’t laaken af te schrikken, met onsterffelyke eere te kroonen, of met een onuitwisbaar smaadtteeken te brandtmerken, zoo is ’t ook geen wonder dat de Poëten byna by alle volken, en t’ allen tyden, in hooghe achting wierden gehouden. Ik spreek niet van gemeene Poëten, dien naam onwaardig, maar van d’ uitsteekende, die den laurier met recht verdienden. En zulke zyn te meer eerwaardig, om dat ze zelden gevonden worden. Want heel zelden vindt men menschen met bequaamheden voorzien om groote Poëten te worden: naardien onder anderen hier toe ook iet vereischt wordt, dat men van zich zelven niet kan hebben: naamentlijk een Poëetsche geest, ryk van aardige invallen, en vaardig om zyn gedachten, op maat en voeten gezet, gelukkig uit te drukken. Op dien Poëetschen geest, die, door geen arbeidt van anderen te leeren, en alleen zommigen ingeschaapen en aangebooren is, hadden eenigen der ouden het oogh, als ze zeiden, Orator fit, Poeta nascitur: dat is, een Redenaar leerdt allengs de welspreekenheit, maar een Poëet wordt met de kunst gebooren. Dus vindt men onder d’ allergeleerdtsten op den gantschen aardtboodem, die in alle soorten van weetenschappen geoeffent, ook het stuk der Poëzye grondig verstaande, [4] echter geen Poëten waaren, noch konden worden, en dat alleen by mangel van dien Poëetschen geest. Zoodaanig was in de voorgaande eeuwe de groote Erasmus, en in d’ onze de geleerde Vossius, die onder andere schriften een treffelyk Onderwys in ’t stuk der Poëzye heeft naagelaaten, zonder nochtans zich naar zyn eigen lessen, by gebrek van geest en natuurlyke bequaamheit, te konnen schikken. Doch die zulk een’ geest heeft is hierom noch geen Poëet, ten zy dat hy die door hulp van kunst en leering laate breidelen en leiden. Dan is ’er geleerdtheit, kennis en oeffening in allerley wetenschap en wysheit van nooden, om alle stoffen en zaaken dies te grondiger en te krachtiger t’ ontvouwen. Met hoe groote geleerdtheit Homeer was voorzien, blykt uit den inhoudt zyner werken, die een bron van alle weetenschappen en welspreekenheit met recht genoemt worden. Ook verhaalt men van Euripides, den treurspeldichter, dat hy zich van Anaxagoras liet onderwyzen in de Natuurkunde, van Prodikus Ceus in de Redeneerkunst, en van Sokrates in de leere der zeden. P. Virgilius Maro was in de Latynsche en Grieksche taalkunde, en alle edele wetenschappen en kunsten, inzonderheit in artsenye en wiskunst, van kindtsbeen opgetrokken. Q. Horatius Flakkus hadt zich in zyn jongkheit te Rome in allerhande geleerdtheit, en sedert t’ Atheene in de Filosofye geoeffent: ’t welk hier slechts aangeroert zy, om te toonen, dat Poëten, die van oudts tot groote vermaardtheit zyn opgeklommen, de kunst door hunne geleerdtheit hebben geleidt, voltooit, en opgezet. Maar boven dit alles behoeft die Poëetsche geest, en noodige geleerdtheit, ook ruimte van ledigen tydt, en dat men zich in staat vinde van by zich zelven te kunnen bestaan; op dat men, zich geheel aan de dichtkunst overgevende, gerust en met lust deeze oeffening geduurig voortzette. Want de [5] kunst vereischt een geheel man. Ook hadde de Geloofsverzaaker Julianus, dat schrander vernuft, hier ’t oogh op, als hy zeide, dat om een Poëet te worden, drie dingen noodig waaren; een Poëetsche geest, liefde tot Filosofye, en leedigheit. De natuur dan baardt den Dichter, de kunst en ’t onderwys voeden hem op, en niemant komt tot volmaaktheit, dan die de natuur te baat hebbende, ook de natuur, door ’t onderwys der kunst, de handt biedt, en al zyn tydt kan besteeden om zonder ophouden te vorderen.

    ’T is dan niet vremdt, dat het getal der groote Dichteren ten allen tyden kleen was. Want gelyk weinigen de natuurlyke gaave en geest der Poëzye ontfingen, zoo vondt men noch minder, dien, al hadden ze al eenigen geest, den arbeidt lustte om naar geleerdtheit van taalen en zaaken met ernst te staan. Ook zyn somwyl honderden van jaaren verloopen zonder dat onder groote volken een groot Poëet te voorschyn quam. Zoo dat iemant niet zonder reden zeide, datze zoo zelden verscheenen als de komeeten. Maar hoe men ze minder vondt, hoe hunne waarde grooter is.

    Dat ons vaderlandt in die schaarsheit van Poëten, en in deeze eeuwe, niet teenemaal in dit geluk werdt misdeelt, betuigen de dichtkunstige werken van verscheide doorluchtige mannen, die by onzen tydt leefden, met naamen, om van geen levenden en alleen van d’ alleruitsteekentsten te spreeken, de Drossaardt Hooft en Van den Vondel: de leste wel buiten Hollandt gebooren, maar met Hollandtsche melk opgevoedt, en, door geduurige inwooning, een Hollander en Amsterdammer geworden. Die twee groote mannen waaren elkanderen in eene zaake ongelyk: Hooft, voegde van jongs aan d’ oeffening der taalen en geleerdtheit by zynen Poëetschen geest, en braght zulke hoogdravende dichten voort, dat men van hem schreef, dat hy door de [6] wolken wandelde, en de starren genaakte: maar Vondel hadt in ’t eerst niet dan eenigen geest, wiens drift hem dreef, maar lang in ’t wilde: tot dat hy, tot meer jaaren gekoomen, met onvermoeiden vlyt door die zwaarigheit, zoo veel hem moogelyk was, heenen brak; en noch voor zyn doodt beleefde, dat alle de Nederduitsche Dichters zyner eeuwe, immers weinige uitgezondert, van zelven voor hem weeken: zoo dat de roem zyner gedichten nu klinkt in alle Duitsche gewesten, daar hy verstaan wordt.

    Dees vermaardtheit en waarde des mans heeft my, naa zyn doodt, meenighmaal aangeprikkelt om zyn leven kortelyk te beschryven: te meer, naardien ’er verscheide dingen, van hem gedaan, of hem bejegent, tot myne kennis, zoo uit hem zelven, als uit anderen, zyn gekomen, die weetenswaardig zyn. Daar noch bykomt de liefde tot de dichtkunst, om in dit Leven het volkoomen voorbeeldt eener welbeleide naarstigheit voor te stellen: tot een spoore voor alle aankoomelingen, die van hunnen geest tot de dichtkunst gedreven, geen beter Leidtsman kan voorkoomen, dien ze te volgen hebben; op dat ze t’ ooghmerk van hunnen toelegh mooghen bereiken. Met dit ooghmerk dan zal ik dit werk ter handt neemen: met bede dat de Leezer ten goede houde, dat men den doorluchtigen Poëet, die zoo veel gedaan heeft om de Nederduitsche taal en styl van schryven te zuiveren, en te schaaven, met geen beter penne en hooger styl beschryve. ’T is in yders maght niet den hooghsten toon te volgen: ook moet ’er onderscheidt blyven tusschen dicht en prose, en een eenvoudig verhaal, als dit, heeft geen Poëetsch cieraadt van nooden. In dit verhaal zal ik d’ ordre des tydts meest volgen, en de nieuwsgierigen met geen langer inleiding ophouden.

    JOOST VAN DEN VONDEL dan, die door zijn [7] Nederlandtsche dichten meest al de Dichters zyner eeuwe te boven ging, en alleen met den Drossaard Hooft om den laurier streedt, hadt een’ vader van den zelven naam, schrander van geest, een’ Hoedtstoffeerder t’ Antwerpen, daar hy gebooren was en woonde. Zyn toenaam VONDEL beteekent in Brabantsche taale een kleen brugsken, ’t welk de Hollanders een vlunder noemen, en, van rys of tienen gevlochten, gebruikt wordt om de slooten en naauwe vaarten te vloeren, en tot overgang te dienen.

    Zyn moederlyk grootvader Peter Kranen, ook een Antwerpenaar, werdt in zynen tydt onder de Brabantsche Poëten getelt, die naar de wyze van Cornelis van Ghistele, en van Jan Baptista Houwaart, de Rhetorica, gelyk men toen de dichtkunst noemde, hanteerende, onder dat slagh van Rymers in achtinge was: zoo dat de Drossaardt Hooft tot Vondel plagh te zeggen; dat gy een Rymer zyt, hebt gy van uwen grootvader Kranen. Dees was met zyn echtgenoot, ten tyde der felle vervolginge ter oorzaake van de Reformatie, toen men de plakkaaten smeedde, en in de Nederlanden te werk stelde, daar men van zeide, datze meer met bloedt dan met inkt waaren geschreven, het gevoelen van de weerlooste der Gereformeerden, de Doopsgezinden, toegedaan: zich houdende aan hunne vergaderingen toen ’t halzen kostte. Maar ’t werdt haast overgedraagen, en zyne huisvrou, op ’t uiterste zwanger, door den Markgraaf van Antwerpen gevangen. Hy ontsprongh ’t ter naauwer noodt, achter uit het huis. Zyn vrou op den Steen, de stadts kerker, gebraght, kreegh van ontsteltenisse den arbeidt op den hals. Doch haar werdt, op ’t aanloopen, en onder borghtoght van eenen Hans Michiels, haaren neeve, toegelaaten naar huis te gaan, daar ze baarde en haar kraam uithieldt. Toen most die borg, die zyn’ hals voor haar te pandt hadt [8] gestelt, haar weêr op den Steen leveren. Als zy daar, bitterlyk schreyende, zoude intreeden, troostte haar Hans Michiels met deeze woorden, Nicht, ik breng u met deeze handt wel op den Steen, maar ik beloof ’er u met d’ andere weêr af te brengen. Maar sedert uit den Markgrave verstaande, datze ten vuure was verweezen, en met zekeren Leeraar zou sterven, vondt hy zich in d’uiterste verlegenheit, badt om uitstel, en vraagde, Of men, een haarer kinderen van een’ Priester Katholykelyk laatende doopen, haar niet zou konnen redden? ’T antwoordt was, Misschien ja. Op welke hoope men in der yl een der kinderen (met den vader naar Keulen gevlucht) een dochter, naar Antwerpen ontboodt, daar men ’t kindt naar de gewoonte der Roomsche kerke doopte: waar op de verweeze moeder, door veel voorloopens en voorspreekens, ten leste, onder belofte van Katholyk te zullen leven, werdt losgelaaten. Zy begaf zich sedert naar Keulen by haar’ man en kinderen, daar ze ’t vervolgh ontschuilden: en de dochter, die, om haar moeder te redden, door een’ Priester gedoopt was, Sara Kranen genaamt, werdt namaals de moeder van Vondel, onzen Dichter. Want Joost van den Vondel, de Hoedtstoffeerder, boven gemeldt, die ook de Doopsgezinden yvrig aanhing, week desgelyks om ’t vervolgh naar Keulen, daar hy met die dochter, huwbaar geworden, daarna in den echt tradt, en by haar verscheide kinders teelde.

    Uit dit paar is Van den Vondel te Keulen, in de straat genaamt de Wysgas, daar de viool uithing, gebooren: in die oude vermaarde Rynstadt, zoo genoemt naar ’t woordt Colonia of volkplanting, een plante der Roomsche moogenheit, die ook oulinx naar M. Agrippa, Augustus schoonzoon, en Agrippina dochter van Germanicus, en gemaalin van Keiser Claudius, haar’ eerste stichters, Agrippina werdt [9] geheeten. Ook erkende onze Dichter Keulen doorgaans voor zyn geboortestadt, haaren lof in verscheide dichten met groote zucht ten top verheffende; op het spoor der aaloude Grieksche en Latynsche Poëten, die hunne geboorteplaatzen met dankbaare gedichten vereerden. In zynen Olyftak aan den Zweedtschen Heldt Gustaaf Adolf, smeekt hy dien Koning, dat hy Keulen, zyn geboortestadt, verschoone. Men leest ’er deeze woorden:

        Een heimelyke trek
    Verleit het hart naar myn geboortstadt Keulen.
    Daar heb ik eerst om hoonigh uitgevlogen,
        Ontrent den blonden Ryn,
        Beplant met Rynschen wyn;
    En als een bie violendau gezogen.
    Uit dit geboortzogh wort myn zorg gebooren,
        Nu ’t Zweedsche vaandel vlieght,
        Daar ik ben opgewieght.


Hier toe diende ook d’ opdraght van Sinte Ursuls of der Maaghden Treurspel aan Agrippine, die hy onder anderen dus aanspreekt;

    D’ inboorling is in zyne wiegh gehouden
        En bakermat. Hoe kan ik dit voorby?
    Al wordt de melk der moeder niet vergouden
        Van ’t kindt, dit strekt ten allerminste my
    Een kleen bewys van myn genegentheden,
        En groote zucht tot myn geboorteplaats;
    Daar ik, nu styf een halleve eeuw geleden,
        Eerst ryzen zagh den glans des dageraats.
    Wy volgen dus de leidstar der aalouden.
        Wy volgen in hun schaduw, slechts van veer,
    De Grieken die hun boortesteden bouden
        Zoo lang voor ons met onnaevolgbaare eer.


[10] De doorluchtighste der Duitsche Poëten kreeg dan zulk een treffelyke stadt tot geboorteplaats: zoo dat hy zich haarer, noch zy zich zyns, niet behoefde te schaamen. Zulk een Inboorling voortgebraght te hebben, gaf de stadt, die het te vooren aan geen’ glans van eere ontbrak, noch grooter luister. Gelyk Chios en andere steden, tot zeven toe, moedig waaren op Homeer, en onderling krakkeelden om elk zich zelve zyn geboorterecht toe te eigenen: Gelyk Athenen op haaren Euripides en Sophokles, Thebe op Pindarus, Mantua op Maro, Sulmo op Naso, Venusie op Horatius, Aquina op Juvenalis, Alexandrye op Claudianus stofte, zoo magh Keulen roemen op Vondel, haaren ingebooren, die d’ oudtste en beste Dichters met wyde schreden volgende, eenigen zoo na quam, dat hy ze als op de hielen tradt, en anderen voorby liep.

    Het jaar zyner geboorte geeft hy zelf te kennen in d’ Opdraght van Maria Stuarts treurspel, zeggende, dat hy zyn geboortejaar by Mariaas moordtjaar gedacht. Hy meent het jaar van MDLXXXVII, waar in die Koningin met de byl werdt onthooft. Zyn geboortedagh viel op den zeventienden van November, of Slaghtmaandt, een dagh die de Roomsche kerk den Bisschop Gregorius Thaumaturgus heeft toegeheilight. Hierom noemt hy in zeekeren Geboortezangh Thaumaturgus zynen Geboorteheiligh, en zeght dat zyn Jaargety op dat feest komt,

    Als Slachtmaandt, meer dan half voorby,
    Den zonring sluit op zyn verjaaren.


Op den dagh dan van dien Thaumaturgus, dat is Wonderwerker, quam dit groote Wonder der Dichteren, die sedert, door zyn volmaakte werken, in de schranderste vernuften zyner eeuwe de hooghste verwondering baarde, ter werelt.

    [11] Zyne eerste kindtsheit, daar niet van te zeggen valt, braght hy te Keulen over, tot dat zyn vader geraaden vondt zich naar Hollandt te begeeven, daar de vryheit, geduurende den oorlogh tegens Spanje, het hooft opstak, en de Doopsgezinden, nevens andere Gereformeerde Christenen, hunnen godtsdienst, naar hun gemoedt, en zonder omzien, moghten beleven. Dien raadt volgende toogh hy met zyn vrouwe en kinderen eerst naar Frankfoort, van daar met de waagen op Breemen en voorts op Hollandt, zich onderweegen armelyk behelpende, maakende een wiegh tusschen eenige stokken, de luyeren droogende op den waaghen, met tekenen van zoodanige ingetoogenheit en zeedigheit, dat de Voerman, dit eenvoudigh paar voerende, tegens iemant zeide; ’T is eveneens als of ik met Joseph en Maria over wegh reize. In Hollandt gekoomen, sloegh hy zich, met zyn gezin, eerst t’Uitrecht, en korts daarna t’Amsterdam, ’t welk toen door de zeevaart en koophandel bloeide, ter neder; daar hy zich met koopmanschap van koussen, eerlyk en met goede winst, geneerde: ’t welk daar uit blykt dat een zyner zoonen, Willem van den Vondel, daarna middel vondt zich in taalen en weetenschappen, met naame in de Rechten en dichtkunste, t’ oeffenen, ook naar Italië te reizen, om d’overblyfsels van ’t neêrgestorte gevaart der Roomsche hooghmoogentheit t’aanschouwen. Maar onze Vondel, die de stof is van dit verhaal, scheen, dat jammer was, slechts tot neering opgebraght, leerende niet dan leezen en schryven, en lagh ten dien einde eenigen tydt t’Uitrecht ter schoole.

    Noch zeer jong raakte hy al aan ’t rymen, en toonde zynen aangebooren trek tot de dichtkunst: maar ’t hadt noch in lang geen klem. Hier was wel geest van poëzye, maar ’t geen dien geest most leiden en aanqueeken, ontbrak hem: [12] kennis van taalen, om d’oude Latynsche en Grieksche Poëten te leezen, en hoonig uit dien tym te zuigen; en allerlei geleerdtheit, die deeze kunst, zelf in de schranderste geesten, nooit kon ontbeeren. Hy hadt dan anders geen behulp dan ’t geen in Duitsch wordt geleezen. Zyn eerste rymen waaren plat en zenuwloos: zich zelven dikwils ongelyk, somwyl voortrollende, zomwyl hortende en stootende, somwyl zwetsende met woorden van anderhalven voet lang, die luidt schreeuwden, en weinig zeiden. Maar van dat slagh is weinigh overgebleven. Die munt zette zich zelve af, en was niet langer ganghbaar, dan tot dat de Liefhebbers zaagen dat ze geen toets hieldt. Maar niet tegenstaande d’ onvolmaaktheit zyner kindtsche rymen, zagh men hier en daar noch slaagen en aardigheden, die uit dat teder zaadt met der tydt een’ ryken oeghst beloofden: zoo dat zyn naam, noch maar dertien jaaren oudt, in zekeren brief, te dier tydt, in ’t jaar MDC, van den Heere P.C. Hooft, uit Florensen, aan de Kamer in Liefde bloeyende, dat vermaarde kunstgenootschap t’Amsterdam, in dicht geschreven, met deezen lof, nevens andere fraaye geesten, wierdt gespelt:

        Men vindt tot Amsterdam, die met zyn hoogh gedicht
        Den duistren wegh tot lof en waare deught verlicht:
    En Kampen, die met kunst ’t gemeen beloop der dingen,
    Het nut der deught en ’t quaadt der ondeught weet te zingen;
        En Koster, VONDELEN, Breeroô en Victoryn,
        Die nu al toonen watz’ hier namaals zullen zyn.


Onder de rymen zyner jongkheit, die noch in handen zyn, leest men zyn treurdicht over den moordt van Henrik den Grooten, Koningk van Vrankryk: daar wel meer geest in speelt dan in de voorgaande; maar men ziet ’er met eenen, als men ’t met laater werken vergelykt, dat ’er noch veel aan ontbrak.

    [13] In dat zelve jaar, het drie-entwintighste zyns ouderdoms, verbondt hy* zich t’ Amsterdam in echt met Maria de Wolf, dochter van Hans de Wolf, een Keulenaar van Brabantsche afkomst, koopman in passementen en linten, van goede gelegentheit. Met deeze vrouwe, een kloeke en verstandige huishoudtster, nam hy de kousneering by der handt: maar zyn gedachten liepen op wat anders, op het dichten, zoo dat hy ’t koopen en verkoopen op zyn ega liet staan, en zy hem zyn drift volgen. Hy begaf zich dan tot d’ oeffening der Poëzye, die aanlokkende kunst, met grooten yver, en dichtte eerlang het tooneelspel van ’t PASCHA, ’t welk in den jaare MDCXII aan den dagh quam, beter van rym, van taale, en van gedachten dan zyn voorige dichten. Dit werdt in de Brabantsche Kamer, die de zinspreuk voerde van Uit levender jonst, opentlyk voor den volke gespeelt.

    T’ Amsterdam waaren verscheide oeffenkamers der dichtkunste: Twee Brabantsche, met de Brabanders naa ’t overgaan van Antwerpen overgekomen: d’eene, de Lavendelbloem genoemt, met haar spreuke alreede gemeldt: d’andere, het Vygeboomken, schryvende tot een zinspreuk, Het zoet vergaaren, en houdende haar vergaderplaats in de Nes. Maar de vermaardtste kunstschool was d’ Oude Kamer (bekent door de spreuk In Liefde bloeyende, en ’t gekruist Kristbeelt, met den Eglentier onder de doornen, haar blazoen) die, zeer oudt en door Keizer Karel den vyfden bevestight, van de treffelyksten der stadt en de grootste verstanden werdt gehanteert en gehandthaaft. Maar sedert boude Dr Samuel Koster, een bekent Poëet, die, indien hy zyn geestige invallen hadt willen bearbeiden, de grootste dichters hadt naar de kroon gesteeken, de Nederduitsche Akademie op de Keisersgracht, ter plaatze daar nu de Schouburgh staat. Hier liet hy treur- en blyspeelen ver-[14]toonen, redeneringen uitspreeken, de muzyk en andere loffelyke kunsten oeffenen. De kosten holpen zommige liefhebbers der poëzye dragen, dien men door een bode liet aanzeggen, wat en wanneer men speelen zou: en als ze dan hunnen zilveren penning, hun daar toe gegeven, overleverden, werden ze ingelaaten, en nevens hun gezelschap met zitplaatzen geryft. Met deeze Akademie, die een Biekorf met het woordt Yver tot haar blazoen voerde, werdt d’Oude Kamer naamaals vereenight, en zy voegden haare zinspreuken by een, schryvende, Door yver in liefde bloeyende: en de twee Brabantsche Kamers gingen by verloop van tydt, en door ’t bloejen der Akademie, te niet. Daarna verkocht Dr Koster, zich door de kosten, die hier op liepen, te veel bezwaart vindende, het gebouw aan de Regenten van ’t Wees- en ’t Oudemannenhuis, voor een somme geldts, daar ’t Weeshuis twee derdedeelen en ’t Oudemannenhuis een derdedeel in betaalde. Deese wierpen ’t oude gebou om ver, en bouden op de zelve plaats den Schouburgh, daar ze onder ’t beleidt van eenige liefhebbers der kunste, jaarlyks by hen verkooren, en Hoofden des Schouburghs genoemt, tweemaal ter week Tooneelspeelen lieten vertoonen; niet zonder groot voordeel, door den grooten toeloop des volks, te trekken, tot nut van beiderzydts armen. Dit is de Schouburgh, waar op in volgende tyden de hooghdravende Treurspeelen van onzen Dichter ten tooneele zyn gevoert. Maar deeze uitweiding heeft my buiten ’t bestek van den tydt afgeleidt, daar ik te rugh keere.

    Niet lang naa ’t uitgeven van ’t Pascha, in den jaare MDCXIII, schreef hy zyn’ eersten Lofzang over de Scheepsvaart der vereenigde Nederlanden, ’t welk zyn voorigh dicht merkelyk overtrof. Doch nu door ondervinding merkende wat hem aan de kennis der taalen gelegen was, om [15] in de kunst te vorderen, pooghde hy dat gebrek te boeten. Het voorbeelt van Koornhart en anderen, die in hunnen ouderdom taalen leerden, en zyn liefde tot de kunst, maakte hem gaande, zoo dat hy zich dien moejelyken arbeidt getroostte. Eerst liet hy zich door een’ Engelsman de beginsels van ’t Latyn leeren. Daarna ging hy ten huize van eenen Abbama, een Vries, Leermeester in de Latynsche schoole aan d’ oude zyde; die hem, ziende zynen grooten yver, vlytig en gaarne onderwees. Hy rustte niet, voor dat hy de taal taamelyk verstondt; en door gestaadige oeffening meer en meer vorderende, begost met der tydt de Latynsche Poëten te leezen, te verstaan, en op de geestige en krachtige uitdrukkingen van hunne edele gedachten, en ryke vonden lettende, die by zich zelven t’ overweegen. Tot dien einde zyn verstandt en tydt met groote naarstigheit bestedende, quam ’er in lang geen dicht van hem te voorschyn, tot dat hy in den jaar MDCXVII de Waarande der Dieren met uitleggingen over de kunstplaaten van Markus Geeraardts, leerzaame Fabelen begrypende, in ’t licht gaf; en drie jaaren daarna Godts Helden, of hunne beschryving, en het Treurspel van Jerusalems verwoestinge: ook de Heerlykheit van Salomon, uit het Fransch van den Heere van Bartas; want hy hadt zich ook in de kennisse van die taale geoeffent: voorts den Gulden Winkel genoegh bekent, en meer dan eens gedrukt: dan dit leste, meen ik, quam vroeger te voorschyn. In deeze schriften zagh men meer gelykheit van styl, en grooter verhevenheit van gedachten, dan voorheenen in zyne rymen; inzonderheit in het treurspel van Jerusalem. Nochtans heeft hy ze, tot naarder kennis gekoomen, alle, ’t een zoo wel als ’t ander, (uitgezeit het verwoeste Jerusalem) met eenen streek doorgehaalt, en niets daar van voor zyn werk willen erkennen, noch onder de dichten der volgende tyden plaats gunnen.

    [16] Ontrent deezen tydt, en wat laater, werdt hy ter neêrgeworpen van een langduurige quynende ziekte, die hem zeer verzwakte, zyne geesten afmatte, en om de doodt deede wenschen. Van zommigen werdt verhaalt, dat hy veele jaaren ging quynen, met verscheide quaalen beladen; zoo dat men hieldt dat hy de teering hadt: dat zyn borst zeer bezet was, en d’ overtollige vochtigheden en zinkingen hem daaghelyks quelden: maar dat het in ’t veertighste jaar zyns ouderdoms begost te beteren, en dat hy sedert zyn vyftighste jaar geheel gezondt was. Van de gemelde lange ziekte in den jaare MDCXXI wat bekoomende, viel hy weêr aan ’t dichten, en men zagh hem in de Dichtkunst van jaar tot jaar zoo merkelyk toeneemen, dat hy zich zelven in ’t kort, by vergelyking van zyn voorige rymen, niet meer geleek. Daar veel toe holp zyn geduurige ommegangk met den Drossaardt Hooft, den Ridder Laurens Reaal, en andere Dichters, en kenners der kunste, die t’ zaamen een letterkunstige vergadering hielden: daar ook de Heer Antonis de Hubert, Rechtsgeleerde, Oudt Raadt en Scheepen der stadt Zierikzee (door de Psalmen, by hem in Neêrduitsch dicht vertaalt, genoegh bekent) verscheen. Hier werdt gehandelt van d’ eigenschappen der moederlyke taale. Men stelde verscheide regels, daar men zich in ’t dichten naar hadde te schikken: ontrent het stuk der taalschikkinge, de t’ saamenvoeging der woorden en naamen, het onderscheidt der geslachten, buiging der gevallen, en spelling van yder woordt. Daar men eenig bericht van vindt in de Waarschouwinge, gestelt voor de Psalmen van den gemelden Hubert. Doch deeze taalschikking is sedert merkelyk verbetert, en door den Drossaardt en Vondel tot genoeghsaame volkoomenheit gebraght: gelyk men in hunne laatere dichten en schriften kan bespeuren en waarneemen.

    [17] Op dien beraamden voet vertaalde Vondel, met hulpe van den Drost en Reaal, omtrent het jaar MDCXXV de Troas of Troades van Seneka, die men met den tytel van Koninginne der treurspeelen vereerde: waar toe zy met hun driën, ten huize van Roemer Visscher, den Hollandtschen Martiaal, en voedtstervader der wetenschappen, daagelyks by een quamen. Uit die vertaalinge in prose braght Vondel dat treurspel in dicht, en gaf het sedert aan den dagh onder den naam van Amsterdamsche Hekuba; bekennende in d’opdraght, dat verscheide vaders vaderlyk recht aan dat kindt hadden: voorts zeggende, dat men die Hekuba vry moght bezien en doorzien; dat ze niet alleen gebooren, maar ook herbooren was, zoo datze met recht twee- of drieboortige moght heeten. In het dicht van dat Treurspel, daar Vondel geen helpers toe hadt, gelyk tot de vertaaling, hoewel de vertaaling zelf, (daar hy zyn deel in hadt) hem tot hulp verstrekte, zaagen nu de kunstkenners een majesteit van taale en hooghdravenheit die heerlyk was, en het Latyn op den voet volghde. Maar ontrent de zelve tydt vondt hy stof, om zich zelven en zynen voortgangk in de dichtkunst naader te vertoonen: niet alleen door zyne Begroetenis aan zyne Vorstelyke Doorluchtigheit Fredrik Henrik, Prins van Oranje, op d’ intreê van zyn Stadthouderschappen en Veldtheerschap, naa ’t overlyden van zynen broeder Prins Maurits, een voortreffelyk gedicht; maar ook door ’t maaken van een byzonder Treurspel. Doch ’t geen hier gelegentheit toe gaf, dient van wat hooger opgehaalt.

    Hy hadde in ’t stuk van Godtsdienst de leere der Doopsgezinden, volgens ’t onderwys zyner ouderen, aangenoomen, en zich, onder zoo veele smaldeelen der verdeeltheden, in de gemeente der Waterlanderen begeven, en het Diakenschap onder hen bedient. Maar toen de geschillen [18] tusschen de Remonstranten en Contraremonstranten op het hooghst waaren geloopen; en d’eerste veroordeelt waaren, hunne Predikanten afgezet, uitgezeit, gebannen, en, inkoomende, ter eeuwiger gevangkenisse verweezen, koos hy d’onderleggende zijde: en het ongelyk, dat men den Remonstranten, zyns oordeels, deede, ontstak in hem een’ grooten yver om hunne zaak te verdeedigen: zoo dat zyn pen nergens veerdiger noch gereeder was, dan daar hy hun dienst kon doen, of meende te doen. Dit gaf elk oorzaak te zeggen, dat hy geheel Remonstrants was geworden: hoewel hy nooit avondtmaal met hun hieldt, en hier op slaat het geen hy in zynen Toetsteen zeit,

    Myn jongkheit bondt door errefleer
    Zich aan een Sekte en geene meer.


Zyn genegentheit tot de Remonstranten was oorzaak van dat aardigh gedicht op de Hollandtsche Transformatie, dat in yders handen is. Ook toonde hy groote zucht tot de Heeren, die in de veranderinge van ’t jaar MDCXVIII hadden geleden, met naamen den onthoofden Advokaat, die te deezer tydt stof werdt voor zyne pen; en dat op ’t aanraaden, zoo hy plagh te verhaalen, van iemant, daar men ’t nooit van zou vermoeden.

    De Heer Albert Koenraadts Burgh, Scheepen en Raadt der stadt Amsterdam, in den jaare van achtien (op het verzoek van een’ Regeerder, die toen voor werveldraayer van ’t hek ging) door Prins Maurits in de regeeringe gezet, hadt, of kreegh, in ’t kort andere inzichten dan zyne voorderaars, en begunstigde d’ onderleggende party. Dees, een liefhebber der Poëzye, met Vondel van den Advokaat in gesprek geraakt, zeide koutsgewys, Maak ’er een Treurspel van. Vondel antwoordde ’T is noch geen tydt. D’ ander daar op, Maak het op een’ anderen naam. Hier [19] mede van een gescheiden, begost de Poëet op dat voorstel te denken, de stof by zich zelven t’ overleggen, en naar eenige geschiedenis der oudtheit te zoeken, onder welker schorsse hy ’t nieuwe treurspel moght verbergen. Eindelyk quam hem de Grieksche
Palamedes te vooren, daar men van schryft, dat hy, onder deksel van het oogh naar den vyandt gewendt, en geldt genooten te hebben, by het gemeene volk in haat wierdt gebraght, en door Agamemnon en Ulysses, tot onvergoedbaare schaade van geheel Grieken, gedoodt. Dees geschiedenis, van d’oude Poëten, met hunne verzierselen vermenght, geviel hem, en hy gaf zich aan ’t werk: met opzet om ’t by zich zelven te houden, tot dat de tyden ’t uitgeven zouden gehengen. Al zyn gedachten en verstandt inspannende, viel hy aan ’t ontwerpen, ordineeren en schikken der stoffe: mengende het nieu onder ’t oudt, en ’t waar met onwaar; op dat hy zich niet te bloot gave, en onder de bewimpelingen der Grieksche geschiedenisse, verzierde byvoeghzels en cieraaden, moght schuilen. Terwyl hy met vlyt aan dit werk arbeidde, ging Prins Maurits van Oranje, die ook een persoonaadje in ’t Treurspel zou zyn, quynen, en ’t gedenkt my den Poëet in ’t achtentachtentighste jaar zyns ouderdoms te hebben hooren verhaalen, hoe zyn vrou op een morgen, geduurende zyne beezigheit met Palamedes, aan de trap, die naar zyn kamer ging, quam roepen; Man, de Prins leit en sterft, (want die tyding quam toen uit den Haaghe) en dat hy haar tot antwoordt toeriep; Laat hem sterven. Ik belui hem vast. Des Prinsen doodt hier op volgende ging hy te yveriger met zyn werk voort, en braght het ten einde, en onder de pers.

    ’T quam ontrent den Herfst of in ’t begin van November in ’t licht, tot veeler verwondering, die wel haast merkten, [20] wat zyn ooghmerk en zin was. Die zich de kunst verstonden, verhieven ’t ten hemel toe, en preezen de zuiverheit der taale, en hooghdravende vloejentheit; tot noch toe van niemant der Nederduitsche Dichteren zoo wel uitgevonden. Maar zy stonden verbaast, als ze den tytel en tytelprint zaagen, en het treurspel laazen. Want op den tytel van PALAMEDES, of vermoorde onnoozelheit, volgde een print, daar een oudt man, van een achtbaar en deftig gelaat, zweemende naar den Advocaat, in een diereperk stondt beslooten, en van Themis, Godinne der Rechtvaardigheit, werdt gelauriert. In ’t werk zelf zaagen ze den man, die noch van veelen voor een Landtverrader, en van anderen voor een Vader des vaderlants en Martelaar van Staat en Godtsdienst werdt gehouden, met zoo veel levende verwen, en hooghsels en diepsels van kunst, afgemaalt, dat ze hem en zyn onschuldt als met handen meenden te kunnen tasten. Zy verstonden dat ’er veelen, die toen de hooghste maght van ’t landt, en ’t meeste bewindt van zaaken hadden, op hun zeer wierden getast; inzonderheit de Contraremonstranten, of de kerk die toen boven dreef. Vooral dacht het hun vremdt, dat hy zynen naam, onbewimpelt, op den tytel dorst stellen. Dan ’t lot was gewaaght, de steen geworpen, en ’t geen niet alleen geschreven, maar ook door den druk gemeen was gemaakt, kon niet uitgewischt worden, noch de Dichter zyn werk loochenen. Hy most dan wachten, wat ’er van quam.

    Het leedt ook niet lang, of het boek werdt opgehaalt, en hy aangeklaaght. Hy plagh te verhaalen, dat men hem meende naar den Haagh te doen voeren, en daar te recht te stellen, ’t welk om zyn’ hals, zyns bedunkens, gewedt waar: dat de Heer Adriaan Paauw, Pensionaris der stadt Amsterdam, zoon van den Burgermeester Reinier Paauw, [21] die als Rechter over den Advocaat hadt gezeeten, met de Heeren Burgermeesteren en Scheepenen hier van sprak, en sterk aanhieldt dat men hem den Fiscaal zou laaten volgen. Doch ’t werdt geweigert, en dat meest door de hartigheit van den Burgermeester Diedrik Bas, op de voorspraake van den Heer Herman van der Pol (voor deezen Scheepen en Raadt der stadt, maar in den jaare MDCXVIII, nevens andere Heeren, afgezet) die Vondels vriendt was, en by verscheide Regeerders veel vermoght. Ook verhaalt men, dat de Heer Andries Bikker, toen Scheepen, op ’t aanhouden van den Pensionaris Paauw zeide; Als men onze burgers naar den Haagh zal voeren, wat hebben wy dan hier te doen? ’T gemeene zeggen is, dat eenige Heeren, toen dat onweêr uit den Haage t’ Amsterdam opquam, den Dichter in ’t heimelyk rieden, terstondt zyn burgerschap te koopen; op dat de Heeren Scheepenen uit dien hoofde zyn vervoering naar den Haage moghten weigeren: maar ik weet uit zyn’ eigen mondt, dat daar niet aan is, en dat hy, toen noch daarna, nooit burgerschap heeft gekocht: zoo dat de Heeren dit slechts voorgaven om ’t aanhouden der anderen af te wyzen. Terwyl dit stuk noch hing, en eer men wist, of de Wethouders dat weghvoeren zouden inwilligen, of afslaan, vondt Vondel zich in de klem van zulk een’ schrik, weetende wie hy voor hadde, dat hy ’t huis niet dorst houden. Hy begaf zich heimelyk ten huize van Hans de Wolf, broeder zyner huisvrouwe, en met zyne zuster, Klementia van den Vondel, getrouwt: maar deze vrienden wilden zich met zyne zaake niet bemoeyen: hem begraauwende over zyn schryfzucht. Zy verstonden, dat hy zyn huis behoorde voor te staan, op zyn neering te passen, en al dat schryven en wryven, dat hem in gevaar braght, te staaken. Hy zeide, Ik zal dat volk de waarheit noch scherper zeggen, [22] en schreef daar ten huize noch steekende heekeldichten, die hy echter op zyn zusters aanhouden in ’t vuur smeet, ’t welk hem namaals roude. Daarna ging hy, vreezende datmen hem by zyn’ zwager en zuster eerst moght zoeken, en hunne bestraffing moede, ten huize van Laurens Joosten Baake lyfherberging zoeken. Dees ontfing, bergde en bezorgde hem gaarne. Ook was zyn huis, zoo wel als dat van Roemer Visscher, een Parnas van wetenschappen; daar men de fraaiste geesten onthaalde, en de loffelykste kunsten koesterde: Inzonderheit waaren zyne zonen en dochters verslingert op de dichtkunst: met naame Jakob, en Justus, die een zuster van des Drossaardt Hoofts overledene huisvrou ten huwlyk hadt, ’t welk te meer vriendtschap en vertrouwen baarde. Die weldaadt, en dat schuilen, was hy naamaals in een Dankdicht aan Jacob Baake gedachtig, daar hy zich dus liet hooren:

        Toen ik vervloekte waarheit sprak,
        Verstrekte my uw vaders dak
    Een toevlucht, als zelfs maagen weeken
        En deisden, morrende en verstoort,
        En weigerden ter noodt een woordt
    Voor myn onnoozelheit te spreeken.


Drie of vier daagen geschoolen, en van goeder handt verstaan hebbende, dat men ’t vervoeren naar den Haag hadt afgeslaagen, quam hy weêr te voorschyn. Sedert werdt zyn zaak op des Schouts rol getrokken, en voor twee Scheepenen bepleit: en ’t geluk wilde dat de Heer Albert Koenraadt Burg, zyn aanraader tot het dichten van dat treurspel, een der twee Scheepenen, en hem derhalven niet ongunstig was: d’ ander was Scheepen Ernst Roeters, die de zaaken heel anders begreep. Hy werdt in dit pleit door d’Advokaaten Luit en Kats en den Pleitbezorger [Procureur] Bouman gedient, die van zynent weege beweerden, dat men het treurspel most neemen[23] voor een Grieksche Historie, en dat hy de stof hadt bekleedt en gestoffeert met byvoeghselen, omstandigheden en cieraaden, naar de vryheit der Poezye en tooneelwetten: dat men den inhoudt most verstaan, niet naar ’t geen ’er d’ een of d’ ander uit zoogh, en als met nyptangen uit trok, maar naar de verklaaring des Dichters; dewyl elk een uitlegger was van zyne eige woorden. De Heeren Burgh en Roeters het pleit gehoort hebbende, waaren van geen een verstandt, braghten de zaak voor ’t volle getal van Scheepenen: daar Burg, als d’ oudtste, verhaalde hoe hun de zaak op des Schouts rol was voorgekoomen: Dat het Poëten werk was, en dat men het Treurspel wel een anderen zin kon geven dan veelen deeden. Onder de Scheepenen waaren de meeningen niet eenerlei: maar de Schout, Heer Jan ten Grootenhuis, viel zacht; den Dichter in zyne beschuldiginge alleen te last leggende, dat hy in het Treurspel dingen hadde gesprooken, die hy behoorde te zwygen. Ook neigde het meerendeel van Scheepenen tot zachtheit: maar zeeker Heer nam dit werk zoo hoogh op, dat hy, hoorende, uit het onderling gesprek, hoe verscheide Heeren gezint waaren den Dichter in een geldtboete te verwyzen, op zyn beurt van stemmen zeide; Moght ik met het reght begaan, van Vondel zou ’t niet meer doen. By de meeste stemmen nochtans werdt geoordeelt, dat hy driehondert guldens tot boete zou betaalen, ’t geen hy gewillig deede.

    Dit was, oordeelden veelen, met een vossenstaart gegeesselt, en diende alleen om ’t boek te meer bekent, en de menschen te nieuwsgieriger te maaken. ’T is ook zeeker, dat ’er geen beter middel is om boeken te doen begeeren en leezen, dan dat men ze verbiede, ophaale, of verbrande, en de schryvers straffe: want dat verwekt veel geruchts, en veelen, die anders op zulke schriften nooit gedacht hadden, [24] willen ze zien. Dit is ’t rechte zout, dat zulke spys smaaklyk maakt. Ook heeft men doorgaans gezien, dat boeken, op hooge boete verbooden, als men ze met gevaar bequam, met overgrooten lust zyn geleezen, en in vergeetelheit geraakt, als men ze vryelyk moght hebben. D’ eerste druk van Palamedes, voor een gedeelte opgehaalt, werdt binnen weinig daaghen uitverkocht, en men zagh, een week of twee daarna, een nieuwen druk met een kleener letter, daar wel haast een derde op volghde: Jaa men houdt dat dit treurspel binnen weinig jaaren ontrent dertigh maalen werdt gedrukt. ’T ging hier naar de spreuk van Naso,

    Nitimur in vetitum semper, cupimusque negata.

    ’T verbooden wordt gezocht, en ’t geen men ons ontzeit,
    Wordt altydt meest begeert, en wydt en zydt verspreit.


Zelf zyn Vorstelyke Doorluchtigheit Fredrik Henrik, Prins van Oranje, Stadthouder en Veldtheer in zyn broeder Prins Maurits plaats geworden, dien veelen hielden dat den Advocaat en de Remonstranten van oudts niet ongunstig was, liet zich het Treurspel van Palamedes in zyn kabinet, door zyn gunsteling den Heer van der Myle, Oldenbarneveldts schoonzoon, een keurigh liefhebber der Poezye, voorleezen, en uitleggen, zoo veel hem mooghlyk was: en ik weet uit Vondels mondt, dat Van der Myle, na verloop van eenige jaaren, tegens vertroude vrienden zeide, dat ’er de Prins gevallen in hadde, en zich meê kittelde. Ook verhaalde Vondel, ’t geen zommigen veellicht ongelooflyk zal schynen, dat in ’t kabinet, daar men het Treurspel las, een tapyt, of ’t weezen wilde, te pronk hing, met beelden, die de Histori van Palamedes kunstig vertoonden, daar ’s Prinsen oogh onder ’t leezen op viel, zeggende al lachende tot Van der Myle; Dat tapyt dient wel weghgenoomen: men moght anders besluiten dat ik van Palamedes volk waare.

    [25] Doch ik keer, om niet verder af te weiden, weêr tot den Dichter, die ook Hecuba, boven gemeldt, korts na Palamedes uitgaf, en hierna in een diepe zwaarmoedigheit viel, die de Geneesmeesters melancholia hypochondriaca noemen, om dat ze haaren oorsprongk heeft uit het ingewandt. Hier uit ontstondt een bange droefheit zonder reden, en mymering, die hem tot alles onbequaam maakte; zoo dat hy een geruimen tydt geen pen op papier kon zetten; dikwils wenschende te weeten, hoe een vroolyk mensch te moede was. Deeze zwarigheit met der tydt lichtende, keerde hy, weêr tot zich zelven koomende, allengs tot zyn voorige oeffeningen. Ook liet hy zich door Daniel de Breen, een geleerdt jongeling, in de Logica of kunst van redenkavelen, en ook in ’t Grieksch onderwyzen; om meer behulpmiddelen te hebben tot vorderinge in de kunst, daar hy hoe langs hoe meer op verslingerde.

    In de jaaren MDCXXVI, XXVII en XXVIII heeft hy zyn aanwassende vermaardtheit vermeert door zyn zinryke en hooghdravende gedichten op Prins Willem van Nassaus geboorte, op de Verovering van Grol, en op de komst des Prinsen van Oranje t’ Amsterdam, tot slissing van eenige verschillen. In deeze dichten ging hy met grooten zwier van kunst breedt weiden in ’s Prinsen lof: zonder des weegen ooit de minste vereering van den Vorst t’ ontfangen; anders zeer mildtdaadigh tegens de Poëten, wanneer ze zyne overwinningen met hunne dichten vereerden. Maar men meent, dat de Prins, wel weetende hoe quaalyk Vondel by de Predikanten en Contraremonstranten stondt, hem geen gunst toonde, om zelf ongunst te myden.

    Dat onze Dichter in ongunst by de kerkelyken raakte, was gansch niet vremdt: naardien hy hen dikwils op hun zeer tastte, met heekeldichten, zonder naame. Als ’t eenig-[26]sins pas gaf (en ’t gaf, zyns oordeels, dikwils pas) was hy tegens hen doende. In ’t jaar MDCXXVI of XXVII schreef hy ’t bekende Hanekot, daar hy den kerkeraadt van Amsterdam over ’t uitwerpen van den Predikant Kornelis Haanekop, als haanen met scherpe spooren, schendig doorstreek. Van dien aardt was ook zyn liedt van Reintje de Vos, ’t welk den Burgermeester Reinier Paauw, ontrent dien tydt, vinnig stak. Hy toonde in dit, en andere dichten van dat slagh, dat hy al zyn tydtgenooten in ’t schryven van heekeldichten te boven ging, en d’ aalouden weinig toegaf; inzonderheit als het de Kerkelyken goldt. Ook liet hy zich tegens een vertrout vriendt ontvallen; Als ik dat volk magh aantasten, dan wordt myn geest gaande.

    Ontrent deezen tydt overleedt zyn eenige broeder Willem Van den Vondel: een verlies dat hem zeer en lang smertte. ’T welk zoo ver ging, dat ik hem byna vyftig jaaren daarna heb hooren zeggen; Ik zou wel schreyen, als ik om myn’ broeder denk. Hy ging my ver te boven. Dees, zich in de rechten geoeffent hebbende, was in den ouderdom van vyfentwintig jaaren naar Vrankryk gereist, en hadde t’ Orleans den tytel van Doctor in de rechten verkregen. Van daar toogh hy voort naar Italië, te Siëna, daar hy zich negen maanden oeffende, om in geleerdtheit te vorderen. Van daar schreef hy een’ brief in ’t Italiaansch, die de Drossaardt Hooft met groote verwonderinge las, en wel vyf of zesmaal herlas; zeggende Ik kan my niet verzadigen, zulk een schoon Italiaansch schryft hy. In ’t jubeljaar MDCXXV was hy te Rome. Men vindt noch eenige weinige staalen zyner Poëzye: zyn klinkdicht onder andere op zyn broeders Treurspel van Jerusalem: voorts schreef hy eenige Latynsche dichten, daar men niet van heeft dan de vertaaling, door onzen Poëet onder zyne dichten gestelt: te weeten een aanspraak [27] aan Paus Urbaan, en zyn afscheidt van Italië op d’ Alpes genoomen. Dit zyn d’ eenige overblyfsels van dien schranderen geest. Men spreekt noch van een dicht op zyn broeders Lof der zeevaart, en van een klepperdicht te Siëna op ’t paardeloopen gedicht: maar die dingen zyn verlooren. Hy was drie jaaren buitens landts, en viel, toen hy t’ huis quam, straks in een quynende ziekte, die hem wechsleepte: niet zonder vermoeden van vergift, hem in Italië ingegeven: het zy dat hy iemant te naa hadt gesprooken, of dat iemant anders een wrok op hem hadde gevat. De geleerde Kornelis Gyselbert Plemp, en een ander, die zynen naam met drie letteren D. d. B. aanwyst, eerden zyne gedachtenis met Latynsche lykdichten, die van zyn’ broeder in ’t Hollandtsch zyn vertaalt.

    In dat zelve jaar reisde onze Dichter naar Denemarken om eenige schulden, van zyne of zyn vrouws neeringe, in te vorderen. Geduurende deeze reis schreef hy twee brieven in dicht aan den Drost van Muiden; den eenen uit de Sont, uitneemend van gedachten en van taal: zeggende in ’t slot van den eersten;

    Beveelt men my dan ’t rym, ’k beveel u ’t rymeloos,

    Wiens pen der Vranken Heldt deedt leven voor altoos.


In ’t wederkeeren te Gottenburg koomende, vondt hy daar den Heere Jakob van Dyk, eertydts Gezant des Konings van Zweeden by de Staaten der vereenigde Nederlanden in den Haaghe, een Hollander te Haarlem gebooren, van treffelyke geleerdtheit, en groot lieflhebber van Poëzy, vriendt van de Groot, Heins en Schryver. Dees, die toen te Gottenburg weegens den Koning, als Stadtsoverste, het hooghste bewindt hadt, onthaalde onzen Poëet vriendelyk, en hy schreef te dier tydt een trefflyk klinkdicht met dit opschrift, Tot tol van Zyne Majesteit van Zweden, betaalt te Got-[28] tenburg aan den Heere Jacob van Dyk, 1628. In dit dicht werdt met klaare woorden gespelt dat de strydtbaare Koning Gustavus het Roomsche ryk of den Keizer met oorlog zoude aantasten, met zyn’ hoef op d’ Oostenrykers heup trappelen, en Rome in groote benaauwtheit brengen, het welk het derde en vierde jaar daarna in der daadt geschiedde. Zoo dat d’ ouden eenige reden hadden dat ze de Poëten ook Vates, dat is, waarzeggers noemden, dewyl ’t hun somwyl gelukt toekoomende dingen te spellen, of liever te raaden. Dat dicht werdt sedert onder des Dichters andre Klinkdichten gedrukt met den tytel van Orakel: daar niets aan ontbrak, dan dat het slot niet vervult werdt; dewyl de Koning in ’t midden van zyne overwinningen sneuvelde.

    In den jaare MDCXXIX gaf hem ’t veroveren van ’s Hertogenbosch en ’t winnen van Wezel stof tot dien treffelyken Zegezang ter eere des Prinsen van Oranje, dien hy den tytel geeft van Boschdwinger en Weezelwinner. Dit gedicht was gestelt onder een print, daar men den Prins, op een’ triomfwagen gezeeten, en gevolght van zyne Helden, in den Haaghe de poort van ’t Hof zagh inryden. Boven in den heemel zat Keizer Adolf van Nassau, omringt met Nassausche Helden, en verzelt met Henrik den Grooten, Koning van Vrankryk. Ook hadt men den Advokaat Oldenbarnevelt in deezen heldenheemel gezet, daar veel op te zeggen viel. Maar als iemant den Dichter in een Boekverkoopers winkel vraaghde, Waarom stelt gy Barnevelt onder de Nassausche Helden in den heemel? schreef hy op staande voet het steekend antwoordt, dat onder zyn Heekeldichten geleezen wordt. Hy braght ook in dit jaar Senekaas Treurspel van Hippolytus, door hem in dicht vertaalt, aan den dagh. In dit werk werdt de groote voorganger gelukkig gevolght. ’T was den getrouwen Hollan-[29]der, (een omschryving daar de Heer Hugo de Groot, toen balling ’s landts, meê gemeent werdt) opgedraagen: maar men maakte zwaarigheit om den Hippolytus met d’ opdraght, een klinkdicht ’t welk van de Groot en Oldenbarneveldt als van onschuldigen, sprak, uit te geven. Men vreesde voor haaperinge, en vondt geraaden dat klinkdicht uit al de gedrukte bladen te snyden. Maar toen de tydt wat veranderde, werdt het in zyn Poëzye, en ook by den tweeden druk van ’t Treurspel, in ’t licht gegeven. In dat zelve jaar, doch ontrent het begin, schreef hy Den Boeren Catechismus, de Theologische Faculteit te Leyden, met de Predikanten Kloppenburg en Smout, overhaalende, om zeeker Theologisch Advys, dat hem en meer anderen tegens de borst was. Dit vaars was zoo boertig en bytend, dat de Professor Vossius, toen hy ’t eerst las, zich niet kon onthouden van lacchen. Zoodanig was ook zyn dicht op het ontzet van Pieter Heins buit voor die ’t verstonden.

    Het jaar van MDCXXX was vruchtbaar van heekeldichten. Onder anderen quamen in de maandt van May twee dichten te voorschyn, doch zonder zynen naam, die onder al ’t geen hy van dat slagh hadt geschreven, de kroon spanden; de Harpoen en de Roskam. Het eerste tastte de Kerkelyken op hun zeer: het tweede hadt het op het stuk der regeeringe gelaaden. In den Harpoen aan Jonkheer Landeslot, Heer van Vryburgh, geschreven, las men de beschryving en lof der godtvruchtige, zedige, en stichtelyke Predikanten, onder den naam van Godefried, Prediker in ’t vlek van Heer Landeslot, die met zyn leere en leven goede Christenen en goede burgers maakte. In ’t tegendeel beschreef hy, onder de benaaming van Wolfaardt, alle heerschzuchtige, onrustige, scheur- en muitzieke Leeraars, [30] die zich kanten tegens hunne Overheit, oproer onder het volk stooken, andre Christenen poogen te vervolgen, en ’t quaadt gevolg van zulk preeken: vermaanende Heer Landeslot (daar hy de Staaten en Magistraaten door verstondt) Wolfaards lasterlyke lippen te muilbanden, en pryzende den Heer van Schaagen over ’t intoomen van zyn’ Predikant, onder anderen zeggende,

    Dus is de Schaager Heer zyn eigen Prekers Herder.

In den Roskam, aan den Heer Hooft, Drost van Muiden, bestrafte hy de gebreeken en slapheit der regeeringe: de gemeene overdaadigheit, het toeneemen der pracht, daar gewinzucht en landtdievery uit sproot; oorzaak dat alles in ’t wilde liep, en de Staat maghteloos wierdt. In het tegendeel verhief hy de deugden van wylen den ouden Burgermeester Hooft, des Drossaarts vader; wenschende dat ’er zulke stuurluiden aan ’t roer moghten zitten, of zulke als Kato was. Toen de Drossaart beide die dichten hadt geleezen, schreef hy ’er zyn oordeel aldus over, aan zyn’ zwaager Baake: De Harpoen is aardig, al zal hy veelen haarig dunken, niet min dan de Roskam. My dunkt hy te genaadiger, om dat hy ieder naageeft dat hem naakomt, en zoo wel voor een goedt betaaler als voor een scherp maaner gaan magh. Maar verwondert U. E. dat die geest het op zoo groote personaadjen gelaaden heeft? Daar aan ziet gy zyne grootmoedigheit.

    Virtutis est domare quae cuncti pavent.

        Het geen daar alle man voor zwicht,
        Te temmen is manhaftheits plicht.

Kan ook een heerlyk hart zich hooghelyker ophaalen, dan met het weiden zyner gedachten door een heerschappye, gevoert over de geenen die met eenen graauw aan Keisers en Koningen ’t hart in de schoenen doen zinken? Maak vry reekening dat marmore zaalen en gulde galeryen niet dan prullen en poppegoedt zyn
[31] voor den geenen, die gewendt is over toppen van myters en kruinen van drievoude kroonen te wandelen. Ik zie wel wat U. E. zeggen wil. Dat ’er weinigen zyn dien ’t gelukt zonder struikelen, oft aan die heete hoofden zoo veel blaaren in hun voeten te branden, dat het sop de kool niet waardt is, en veelen nutter waar in een houte schootel over straat te kruipen. Te eelder is de kunst: en te meer eers heeft hy daar af, die ’t loffelyk uitvoeren kan. Niet dat my schempen en schieten een ridderlyke hanteering dunkt, oft, gelyk de vliegen op een glas, over ’t gladde heenen te loopen, en op ’t rompelig stal te houden; maar, gelyk U. E. wel zeit, den verweenden bakhuizen hunne wanschaapenheit, en ezelen hunne ooren te toonen; op hoope dat zy ’t zoo klaar niet vindende t’ hunnent, oft het een duif geleezen hadt, wat waaters in hunnen wyn doen moogen, en kleender leeren zingen. Want anders is my tegens de borst dat men de luiden leelyk en afschouwelyk in ’t oogh der gemeente maakt, daar zy leer en stichting by te zoeken en uit te zuigen heeft... Maar de Heer van Schaagen magh hem wel een’ fraajen roemer op de handt zetten voor de klank van zulk een trompet, als de geene daar hy zyn’ lof op speelt. Ende als hy dat gedaan heeft zal hy noch diep in zyn’ schuldt blyven staan. Ik beken ook dat my zulke rymen niet alle daaghs voor de neus koomen, en daarom als ’er U. E. raadt om weet, zal ’er myn vingeren naa slikken. Zoo U E. gelieft den vriendt zulks aan te dienen, nevens myn’ groetenis, ik zal ’t geirne gestandt doen.

    Op den Roskam en Harpoen volgde in Junius de Medaalje voor den Gommaristen Kettermeester en Inquisiteur te Dordrecht. Dit ging vry scherp, en zommigen oordeelden, dat hy den Remonstranten, die hy wou begunstigen, met zulk schryven geen voordeel toebraght: dat men d’onderlinge verbittering slechts meer ontstak, en de quaal verer-[32]gerde. Ook geleek iemant zulke dichten by krygsgranaaten, die zwanger gaan van bederf, en niet baaren om ter werelt te brengen, maar om daar uit te helpen. Maar Vondel meende, dat de zeeren van deezen tydt zoo diep waaren ingeëttert, dat men ’er wyn en eedik in most wryven, en den quaaden, of die hy ’er voor hiel, hun eigen bedryf levendigh voor oogen stellen, om hen, waar ’t moogelyk, tot schaamte en beternis te brengen. Met dat ooghmerk schreef hy ook het Papiere geldt, een gedicht vol ziels en levens, tegens Schout Bont en anderen, die de Remonstranten te Leiden, zyns oordeels, te hardt vielen. Boven den tytel zagh men de print van ’t Leydtsch papieregeldt, in ’t beleg gebruikt, met het opschrift, Haec libertatis ergo, Dit ’s voor de vryheit. In het slot werdt de Magistraat van Amsterdam gepreezen, die de Remonstranten met oogluikinge lieten preeken, en een kerk bouwen. Dit bewoogh hem ook tot het schryven van d’ Inwydinge des Christen Tempels t’ Amsterdam: een deftig en zeedig gedicht, dat met een’ cierelyken styl ’t gebruik der tempelen ontvoude; dankende Godt en Amstels Raadt voor die verkreege vryheit. Dat gedicht stondt onder een groote print gedrukt, daar ’t nieu gebouw in was afgebeeldt: doch de Wethouders, niet willende dat men met hunne goedtheit zou pronken, terwyl men de Remonstranten noch in zommige steden lastig viel; ook weetende dat ’er zeer werdt gewoelt om de plakkaaten, tegens hen gemaakt, alomme op nieu te werk te leggen, lieten niet alleen de print met het gedicht ophaalen, maar ook de plaat op ’t stadthuis brengen; daar ze ettelyke jaaren bleef leggen, tot dat men ze, naa ’t verzachten der tyden, den eigenaar, (’t was de Boekverkooper Abraham de Wees) liet volgen.

    Ontrent dien zelven tydt dichtte onze Poëet dat aardig [33] boertliedt, Een Otter in ’t bolwerk: waar in hy den Predikant Otto Badius, (die meer dan anderen tegens Dr. Samuel Koster, een stout meester in ’t aardig heekelen, uitvoer) bits genoeg beschimpte. Over dit liedt raakte Vondel in gevaar van ontdekt te worden. Een der Onderschouten, daar, zoo ’t schynt, lucht van hebbende, quam onverziens op de drukkery, daar men ’t zou drukken: maar de drukker hem gewaar wordende, liet de vorm, als by ongeluk, en uit ontsteltenis over zyne komst, uit de handt, en, gelyk de drukkers gewoon zyn te spreeken, in pastey of aan stukken vallen.

    Maar niet gaf den Kerkelyken byna meer aanstoot, dan zyn dicht, genoemt Decretum horribile: Gruwel der verwoestinge in ’t jaar MDCXXXI uitgegeven. Hier in heeft hy de leere van de verwerpinge, met een styl vol vuur en kunst, wederleit, een kraamvrou invoerende die zich inbeeldt dat een van haare tweelingen verworpen is. Het Jaargetyde van Oldenbarnevelt, dat ik ook ontrent deezen tydt geschreven achtte, week in hooghdraventheit en cieraadt van taale geen van al zyn gedichten: nocht ook de Wellekomst des Heeren Huig de Groot t’ Amsterdam, naa zyn langduurige ballingschap: dichten die beide uit de borst spraaken, en de zaaken naar zyn verstandt voorstelden, zonder daar over, myns weetens, in haaperinge te raaken; het zy om datze zonder naame aan den dagh quaamen, of om dat de Magistraat van Amsterdam hem liet begaan.

    In dat zelve jaar, maar vroeger, schreef hy het Vraaghdicht der Amsterdamsche Akademie aan alle Poëten, liefhebbers der goude vryheit: een dicht, dat, onder deksel van vraagen, zommige yveraaren hunne misgreepen verweet, en als een ontzegbrief was, om veele handen op zyn hooft te krygen, ’t geen ook gebeurde. Maar hy bleef niemant [34] schuldig, en schreef noch op den zelven trant den Blixem van ’t Noordthollandtsche Synode. Als hem zulke stof voorquam, was ’er geen houden aan. ’T ging hem naar zyn eigen zeggen:

        Al wat op ’s harten gront leit,

    Dat welt me naar de keel.


Zelf in de Triomftorts over de neêrlaagh der vyandtlyke vloote op het Slaak, in deezen tydt geschreven, kon hy zich niet onthouden van zulke die hier te lande, zyns oordeels, ’t geweeten zochten te dwingen, te steeken; met vaarzen die hy in den tweeden druk (als buiten twyffel wel ziende, dat ze daar weinig te pas quamen) heeft uitgeschrapt. Doch ’t Lykoffer van Maaghdeburgh, dat wat laater uitquam, gaf niet alleen geen’ aanstoot, maar werdt van alle begunstigers der vryheit, indien ze niet aan ’t Pausdom hingen, hoogh gepreezen; als een heldendicht, dat den lof van den Zweedtschen Heldt, Koning Gusstaaf, met een’ hoogen toon trompette. Men las ’er ’t verwoesten van Maaghdeburgh door Tilly, gevolght van de wraake in den slagh by Leypzich.

    Daarna schreef Vondel in ’t begin des jaars MDCXXXII d’ Inwying der doorluchtige schoole t’ Amsterdam: een Lierdicht van uitneemende kunst. In ’t zelve jaar, als het de Heer de Groot in zyn vaderlandt niet kon houden, en twee duizendt guldens op zyn lyf gezet waaren, maakte hy een gedicht op zyn vertrek naar Hamburg: maar het sprak zulke taal, dat hy ’t, zich naader bezinnende, niet te voorschyn dorst brengen. Ook oordeelde de Heer de Groot dat hy reden hadt: schryvende aan hem in zekeren brief, U E. bedenkinge over het dicht op myn vertrek vinde ik goedt. Zeer quaalyk zou men d’ergernis hebben konnen myden, en lichtelyk zou men zich zelven quaadt doen zonder my goedt [35] te doen. Maar zyn Lykklaght over Graaf Ernst Kazimir, voor Roermonde gesneuvelt, en de Stedekroon des Prinsen van Oranje over den grooten triomf van Maastricht, en d’andere steden en schanssen, in dit jaar verovert, konden ’t licht gedoogen, en behaaghden den kunstbeminneren, die ze laazen.

    Ontrent deezen tydt liet de Dichter zyn gedachten gaan op eenigh groot werk: weetende dat Homeer door zyne Ilias en Ulysses onder de Grieken, Maro door zynen Eneas, Lucanus door zyne Farsalie, Statius door zynen Thebaanschen oorlog, Valerius Flakkus door zyn Grieksche zeetoght onder de Latynen, en in de laater tyden Arioste door zynen Roelandt, en Tasso door zyn verlost Hierusalem onder d’Italiaanen onsterffelyke eere en naam hadden verworven. Derhalven besloot hy hun spoor, zoo ver hem mooghelyk was, te volgen, en den toght van den Keiser Konstantyn den Grooten naar Rome te beschryven. Hier over heeft hy zich met den Heere de Groot, dien hy voor het Orakel van alle geleerdtheit hieldt, beraaden, en hem den aanvang van ’t werk, tot een staal, laaten zien: waar op hy deezen brief ontfing.

        Seer geleerde en treffelyke vriendt,

    Ik oordeele dat U E. tot een volkomen Poëma een bequaame stof bedacht heeft, van den toght van Konstantyn naar Rome ’t welk soo grooten gewichte heeft mede gebraght in de zaaken van de werelt. De Grieken roemen Konstantyn seer hoogh en noemen hem den Apostelen gelyk. My dunkt dat hy geen quaadt Prins is geweest sedert hy de Christelyke Religie heeft aangenomen: maar gelyk de Christenen hem tot den hemel verheffen, zoo zie ik dat Zosimus, een blindt yveraar in ’t Heidensch geloof, alles opzoekt dat hy kan, met recht met onrecht, om hem te doen klein achten. Doch U E.
[36] zeit wysselyk dat het der Poëten recht is de fauten over te zien, ofte niet te geloven van de geenen, die zy nemen tot stoffe van haar lof, en tot een voorbeelt van deucht. U E. begrypt wel dat daar gelegenheit zal zyn om te spreken van de Heidensche en van de Christelyke kerkgewoonten. Van de eerste heeft U E. genoeg voorschriften by de Grieksche en Latynsche Poëten, en de oude uitleggers daar op: ook hebben weinigh voor onzen tydt daar van niet onbequaamelyk geschreven Giraldus en Rosinus. De Christelyke kerkgewoonten van die tydt kan men zien in de Verdaediginge van Justinus, de werken van Tertullianus, Cyprianus, de Concilien van Neocesarie, Gangres, Laodicea, Ancyre, en het generaal van Niceen, ’t welk, gelyk ook dat van Eliberi in Spanje, en ’t eerste van Arles in Walschlandt, zyn gehouden ten tyden van Konstantyn. ’T beginsel staat my wel aan en zoo voortgaande twyffel niet aan het duuren van het werk. Godt wil daar toe zynen zeegen verleenen, en U E. met zyn gezin neemen in sonderlinge hoede.

                U E. gantsch dienstwillige

    17 Augusti,
  1632.             H. de GROOT.

Terwyl hy met dat werk beezigh was baarde zyn huisvrou hem een’ zoon, en men overleide wat naam het kint stondt te geven. Hy zeide, noem het Konstantyn. Zy voerde hem te gemoet: Niemant van de vrienden heeft dien naam ooit gevoert, en wilt gy ’t naar vremden noemen, zoo geef het een’ schriftuurlyken naam. Hy daar op, noem het dan Gad, naar den zoon van Jakob uit Zilpa, Leaas dienstmaaght. Maar die naam geviel haar noch minder. Zy stondt dan toe, dat men ’t Konstantyn noemde: daar hy zich in verheughde; hoopende twee Konstantynen naa te laaten, en den eenen alleen voorttebrengen. Maar dat zoontjen storf in zyne kindtsheit. Aan dien anderen Kon-[37]stantyn heeft hy veel jaaren besteedt, en maakt van dat heldenwerk in zyn Dankoffer aan David de Willem, Secretaris des Prinsen van Oranje, aldus gewagh:

    Ik zoude uw heusheit dankbaar zyn,
    ’T en deedt de groote Konstantyn,
    Indien ik dat godtvruchtigh hooft
    Niet zes paar boeken hadt belooft;
    En nu het Christaanhangend heir
    Niet voerde aan ’t Adriatisch meir.


In zyne Lykklaght over zyn ega, spreekende van de tydt van haar verscheiden, laat hy zich dus hooren;

    Terwyl ik t’ Aquilea streefde
        Met Konstantyn den grooten heldt
        Door zwaarden op de keel gestelt,
    Door vlam, die naar de starren zweefde.

Ook doet hy zyn doode echtgenoot hem aldus aanspreeken;
    Dat ramp noch druk uw daagen korten,
        Voor dat gy ziet naar uwen wensch
        Den vluchtenden tyran Maxens
    Bestorven in de Tiber storten.
    Dan zal uw ziel ten hemel draven,
        Wanneer het triomfeerend hooft
        ’T gewyde zwaardt, aan Godt verlooft,
    Ontgort op der Apostlen graven.


Hier uit kan men afneemen, hoe de Dichter yverde om dat groote werk tot zyn voorgesteldt einde te brengen. Doch het overlyden zyner echtgenote benam hem den lust: ’t welk uit een’ brief aan den Heer Huig de Groot, wat laater gezonden, te bespeuren is, Myn moedt, schreef hy, heeft sedert de doodt van myne zaalige huisvrouwe een’ krak gekregen, zoo dat ik mynen grooten Konstantyn moet vergeeten, en [38] met iet minders my zoeken te behelpen. Ik ben aan de treurspeelen vervallen. Als ik myn’ lust in treurstoffen heb geboet, magh ik zien, of ik weder aan mynen Konstantyn valle. Ik beveele my ondertusschen in uw Ed. goede gunste, en wensch uw Ed. al ’t geen de vyanden uw Ed. misgunnen. Maar in plaats van namaals dat heldendicht te hervatten, liet hy ’t leggen, en ten leste handelde hy zynen Konstantyn, ’t geen jammer is, gelyk Maro zynen Eneas meende te mishandelen. Maro beval dat men zyn overtreffelyk werk na zyn doodt zou verbranden, als niet genoegh overzien en gepolyst: maar Vondel heeft zynen Konstantyn by zyn leven aan stukken gescheurt. Zulk een weêrzin hadt hy, met of zonder reden, in een gedicht gekregen, dat hem zoo veel tydts hadt gekost. Het schynt terwyl dit werk lang onderhanden bleef, en hy ondertusschen in de kunst toenam, dat zyn oordeel, meer en meer gesleepen, endelyk op het voorste, ’t welk eerst was geschreven, lettende, daar misslagen in vondt, die hy met zulke scherpe oogen inzagh, dat hem de lust om voort te gaan verging: daar zulk een ongenadig vonnis, en ’t vernietigen van al zynen kostelyken arbeidt, op volgde. Niets bleef ’er van over dan eenige stukken en brokken, die hy sedert in andere werkken te pas braght.

    In de jaaren MDCXXXIII en XXXIV zagh men weinig nieuws van onzen Dichter, toen met Konstantyn noch onleedig. In den jaare MDCXXXV hadde de Heer de Groot, die korts daarna tot de waardigheit van Gezant der Koninginne en kroone van Zweeden werdt verheven, zynen Sophompaneas of Josef in ’t licht gegeven: een treurspel in alle deelen zoo volmaakt, dat het by de beste speelen der aalouden standt moght houden. D’uitneementheit van dit werk, en ’t aanraaden van vrienden, bewoogh Vondel eenige zyner uuren aan de vertaaling te besteden: [39] verklaarende in de voorrede, dat hy in ’t vertolken en rymen beezig en verrukt, zich somtydts liet voorstaan, dat Josef in den Treurspeeler verreezen was, of dat de Treurspeeler Josefs spoor most bewandelt hebben. In dit vertaalen hadt hy de rechte maat volkoomen gehouden, en was het Latyn niet te dicht op de hielen gevolght, noch te ver van zynen grooten voorganger afgeweeken. De Heer de Groot kennis van deeze vertaalinge bekoomende, schreef in December uit Parys (daar hy etlyke maanden te vooren zyne intrede als Gezant hadt gedaan) aan den Professor Vossius: Ik verstaan dat Vondel mynen Sophompaneas d’eere heeft aangedaan van hem met zyn eige, dat is zeer gelukkige handt, in ’t Hollandtsch kleedt te steeken. Ik ben hem grooten dank schuldig; om dat hy, die uit zich zelven beeter dingen kan voortbrengen, nu in ’t vertaalen van de myne, tot blyk van vriendtschap, zynen arbeidt besteedt heeft.

    De Heeren Secretaris Mostert en Joan Vechters of Victoryn, beide Rechtsgeleerden, hadden hem in ’t vertaalen van dat werk de handt gebooden. Want terwyl hy bezigh was met de Hollandtsche taal te bouwen, haar rechte spoor wakker naa te speuren, en op papier te leggen, vondt hy altydt baat met overleg van taalkundigen iet te vertolken. Verscheide oordeelen, verstondt hy, schieten verscheide straalen uit, en zien de dingen van alle kanten door en weder door, terwyl een eenig oordeel maar een’ eenigen straal uitschiet, en arm by den rykdom van veelen is. Het vertaalen zelf vondt hy dienstig, om de gedachten van de grootste geesten tot in het merg te doorgronden, hunne kunst en aardigheit hun af te zien, en zyne snaaren te leeren stellen op hunne toonen. Met dit ooghmerk heeft hy verscheide stukken van d’ouden in prose overgezet: onder andere den dollen Herkules van Seneka: het groote klaagh- en smeekdicht van [40] Naso uit Pontus aan Augustus, jaa ook de Herschepping; verscheide boeken van Lucanus en Papinius Statius, met Horatius Flaccus Lierzangen, en meer andere werken: van welke alleen Horatius Lierzangen en zyne Dichtkunst, (daar hy desgelyks de hulpe van Mostert en Victoryn toe hadt gebruikt) sedert in ’t licht quamen.

    Naa ’t vertaalen van Sophompaneas begaf zich Vondel met grooten vlyt tot het dichten van Treurspeelen: een slagh van schryven, waar in, behalven de zuiverheit van taale en welspreekentheit, de voeghelyke schikking en de dichtkunstige vonden zich overal in haar meeste kracht en volkomentheit ten toon stellen; en daarom geacht voor ’t hooghste in de kunst, ’t geen Naso ergens aanwyst, door Vondel aldus vertolkt,

    Hoe hoogh men draave in styl en toon,

    Het treurspel spant alleen de kroon.


Het bouwen van den nieuwen Schouburg t’ Amsterdam, op kosten en tot voordeel van ’t Wees- en van ’t Oudemannenhuis, die in den jaare MDCXXXVII werdt voltooit, ontstak hem met lust om dat gebou in te wyden met iet dat de stadt en burgery moght behaagen. Hy verkoos de verwoesting van Amsterdam en ballingschap van Gysbrecht van Aamstel, naa de doodt van Graaf Floris den vyfden voorgevallen. Dit Treurspel was ’t eerste, dat op den nieuwen Schouburg, ontrent de Kersdagen des zelven jaars (want de Poëet stelde dat de verwoesting op Kersnacht was geschiedt) ten tooneele werdt gevoert: niet zonder tegenmorren van eenigen, die ’t zochten te weeren, en etlyke daaghen ophielden; om dat hy de Roomsche kerkzeden, naar eisch des tydts, daar in ten toon stelde. Naa ’t vertoonen mosten de dichtkundige liefhebbers bekennen dat ze groot genoegen schepten, en dat hy ’t in de kunst ver [41] hadt gebraght. De Dichter hadde dit Treurspel aan den Gezant Hugo de Groot opgedraagen; die zyn genoegen en oordeel over ’t werk hem bekent maakte in den volgenden brief.

        Myn Heer,

    Ik houde my seer verplicht aan U E. beleeftheit en groote genegentheit tot my, de welke schier alleene, immers nevens weinigen van die landen, zoekt te verzoeten myne geleden zwaarigheden, en te vergelden myne onbeloonde diensten. Ik heb uwe gaven en werken altydt ten hoogste gewaardeert. Zoo ik van dit werk zoude zeggen dat ik gevoele, zoo zoude ik mogen verdacht zyn of ik de eer die my is geschiedt door de toe-eigening daar door zoude willen erkennen, ’t welk ik noch daar mede nochte op andere wegen en zie te konnen doen na behooren. By anderen wil ik wel spreken van de gelukkige uitkiezing van deze in der daat waarachtige, maar by U E. schoon gecierde geschiedenisse, de stadt van Amsterdam, daar dit werk is gemaakt en vertoont, eigentlyk toekomende; de zeer welvoegende schikkinge van alle deelen van het eerste tot het laatste, wyze leeringe, teere hartroeringe, vloeiende, doch welverknochte vaarzen. By U E. zal ik niet anders zeggen, dan dat ik Amsterdam voor gelukkig houde indien daar veele zyn die dit werk na zyne waarde konnen schatten. De Coloneesche Oedipus van Sophocles, de biddende Vrouwen van Euripides, hebben Athenen nooit grooter eer aangedaan dan Amsterdam hier mede geniet. Ende alzoo ik vertrouw dat dit werk onsterffelyk is, zoo derf ik daar uit verhopen, ’t geen my myne eigen werken niet en derven toezeggen, dat myn naam zal blyven levende in een stadt, die ik altydt ten hooghsten heb geëert. Groote dankbaarheit ben ik U E. schuldigh, de welke ik in myn hert onverzeert wil bewaaren, tot dat ik eenige gelegenheit vinde om de zelve met ’er daadt te
[42] doen blyken. Tot Parys den 28 May MDCXXXVIII.

    U E. dienstwillige en dankschuldige

               
H. de GROOT.

Aan den Professor Vossius schreef de Gezant van dat treurspel: Vondel heeft my vriendtschap gedaan dat hy een treurspel van treffelyken inhoudt, voeghelyke schikkinge, en overvloedige welspreekenheit aan my, als eenigen smaak hebbende in zulke dingen, heeft toege-eigent. Ook verheugh ik my dat myn naam, op wat wyze het ook zy, by u luiden wordt levendig gehouden. ’T waaren onverstandige menschen, die in een treurspel, handelende van een geschiedenisse, al drie hondert jaaren geleden, het vertoonen van de gewoontens dier tyden niet wilden toelaaten: eveneens als die van Geneven, die in den Franschen druk van Cominoeus overal daar verhaalt wordt dat de Koning van Vrankryk ter misse ging, het woordt avondtmaal in de plaats van misse stelden. Ook hebben zich Aeschylus, noch Euripides niet geschaamt den aanschouweren de Barbarische godtsdiensten te vertoonen: d’ eerste in zyn treurspel van de Persen, d’ ander in zyn Iphigenia in Tauren. Doch daar uit kan men zien hoe weinig zy zyn, die van zulke dingen wel konnen oordeelen.

    Ontrent het jaar MDCXXXVIII hadt onze Dichter een treurspel gemaakt van Messallina, gemaalinne van Keiser Klaudius, en haar uitzinnig huwlyk met Silius, ’t welk al gerolleert, evenwel door een onnoozel toeval achter bleef. Toen de Tooneelspeelers, in ’t byzyn van den Poëet, de rollen voor d’ eerste maal, naar gewoonte, laazen, om te weeten of elk zyn rol verstondt; vondt men eenigen, die den inhoudt van ’t Treurspel niet konden vaten: niet begrypende hoe Messallina tot zulk een dolle uitspoorigheit kon vervallen. De Poëet, hen willende onderrechten, zeide, meer eenvoudig dan voorzichtig; ’T is eveneens als [43] of zoodaanig een Prins, dien hy noemde, een nar was, en de Prinses, terwyl hy ergens naar toe was gereist, ondertusschen met een’ Raadtsheer wilde trouwen. Om deeze onderrechting en gelykenis werdt in ’t eerst gelacchen: maar daarna begosten eenige domme en losse Tooneelspeelers in hunne drinkgelaagen tegens elkanderen te zeggen, zou dit spel wel op dien Prins slaan? Misschien is Claudius die Prins, Messallina zyn Prinses en Silius zulk een Heer, dien zy, (onder andre Grooten, die de gemelde Prinses op de reize naar zeekre stadt verzelden) dwaasselyk uitkipten. Deeze praat liep eerst onder de speelers en werdt, zoo ongerymt als ze was, door zommigen, die den Poëet niet gunstig waaren, verder uitgestrooit, tot dat ze den Regenten van ’t Weeshuis ter ooren quam. Deeze begaaven zich terstondt op den Schouburg, en maakten zwaarigheit in ’t speelen van een spel, dat zoo schendig misduidt werdt. Vondel, hier kennis van krygende, stondt verbaast, merkte zynen onnoozelen misslagh, en vreesde, dat uit zulk een dwaaze praat en misduidinge, die op geen schyn van waarheit rustte, nochtans iet quaadts tot zyn nadeel moght koomen t’ ontstaan: dewyl men ’t beste kon verdraaijen, en uit alle bloemen vergift zuigen. Naa eenig overleg ging hy naar de drie speelers, die voor Messallina, Silius en Narcissus zouden speelen, en eischte hunne rollen, onder voorgeven van iet daar in te willen veranderen of verbeteren. Hier door kon men ’t spel, dewyl hy nu de voornaamste rollen maghtig was, niet door den druk gemeen maaken, ’t geen hy zocht t’ontgaan. Dus heeft hy ’t onderdrukt, en eenige van de beste dingen daarna in andere treurspeelen gebruikt, maar de rest verbrandt.

    Na dat Vondels Messallina dus ongelukkig, met min-[44]der schuldt dan de geene wiens persoon zy zou verbeelden, was van kant geraakt, gaf zich de Poëet met rusteloozen vlyt tot ander werk. Hy vertaalde, op het sterk aanmaanen van Joan Victoryn, Elektra, dat vermaarde treurspel van Sofokles, uit het Grieksch in Neêrduitsch dicht, met hulpe van Isaak Vossius, (zoon van den hooghgeleerden Gerardus Vossius) in die taale zeer geoeffent. Ook schreef hy het treurspel der Maagden, of sinte Ursul, aan Agrippine, dat is Keulen zyne geboortestadt, (daar men voorgeeft dat Ursul, met haar gezelschap, begraven leit) toegeëigent. Beide deze treurstukken quaamen kort naa elkanderen in den jaar MDCXXXIX te voorschyn, en beide zyn ze van den Gezant de Groot met een brief van deezen inhoudt gepreezen;

        Myn Heer,

    Ik dank U E. voor uwe schenkagie, twee werken waardig sulk een werkmeester. Sophocles Electra is altyd gehouden geweest voor uitnemende onder des treffelyken mans Treurspeelen. Ik heb by wylen wel gedacht van de zelve in ’t Latyn te stellen, gelyk ik tot Hamburg zynde gedaan heb Euripides Taurische Iphigenia, de welke ik nu onlangs gezonden heb aan myn’ broeder de Groot. In S. Ursula heeft U E. boven zyn gelukkig verstandt ook getoont een zeer loffelyke genegentheit tot zyne geboortplaatse, de welke ik geluk wensche met sulk een spruit, en wensche U E. lang leven, gezontheit en gerustheit van gemoedt, om niet alleen zoodaanige als deze zyn, die seer treffelyk zyn, maar ook grooter stukken ten dienste, nut, en lust van alle Nederlanders voort te brengen. Tot Parys den
22 October 1639 .

                    U E. gantsch dienstwille H. de Groot.


Wat laager stondt, Na dat ik dit geschreven hadt heb ik de twee stukken ten einde toe geleezen, en vinde in [45] Electra de zin en de hooghdraventheit van Sophokles wel uitgedrukt. In sinte Ursul verwonder ik my over de kloeke vinding, schikking en beweeghlykheit. Niemant verwondere zich, dat ik nu tot verscheide reizen niet dan het oordeel des Heeren de Groot over verscheide werken des Dichters tot zynen lof bybrenge. ’t geschiedt om dat ’er onder zyne tydtgenooten weinigen werden gevonden, die zoo bequaam waaren om van zulke zaaken, naar de regels van de kunst, te oordeelen. Hy verstrekt hier, ten aanzien van zyn hooge geleerdtheit en dooroeffende kunstkunde een onwraakbaar Rechter in plaats van veelen.

    Maar hoe pryswaardig het treurspel der Maagden was ten opzicht van de kunst, men vondt ’er evenwel zaaken in die veelen bedroefden: des Dichters zucht tot de stellingen en gewoonten der Roomsche kerke, en zyne afwyking tot haare dwaalingen, die hy wel haast in andere zyne dichtwerken ten vollen openbaarde. Men hieldt dat hy, Gysbrecht van Aamstels treurspel dichtende, toen alreede aan ’t waggelen was. Zeeker Rechtsgeleerde van goeden gelove, die langen tydt gemeenzaam met hem verkeerde, plagh te verhaalen, dat Vondel, hebbende zyn echtgenoot over etlyke jaaren verlooren, zyn oogh hadt geworpen op een welgegoede weduw van de Roomsche gezintheit, en anders geen kans ziende om haar te behaagen, by zich zelven begost t’ overleggen, of hy haar met geen goedt gemoedt in dat stuk zou konnen volgen: dat hy in ’t eerste met dien Rechtsgeleerde, en andre vrienden, van die zaake spreekende, alles in twyffel trok; en eindelyk beweerde, dat ’er geen zeekerheit in den Godtsdienst was, ten waar men een’ onfeilbaaren Rechter, en verklaarder, van al wat in geschil stondt, erkende op der aarde, een’ Stedehouder [46] van Christus: dat dit eindelyk op den Paus, als naazaat van Petrus, en de Roomsche kerk met haar gezagh uitquam: te meer om dat eenige Priesters en andere geestelyken, hoopende een’ man van zulk een vermaardtheit te winnen, krachtig hier in werkten: dat eindelyk hun voorneemen gelukte, en te lichter, dewyl de Poëet zyn verstandt, gedachten, en zinnen van jongs aan zoo vlytig aan ’t rymen en dichten hadde te kost geleidt, dat hy zeer onkundig was in ’t stuk van den Godtsdienst. Dus quam hy tot de Roomsche kerk, zonder dat nochtans het huwlyk daar hy naar stondt, en dat hem eerst aan ’t twyffelen braght, eenigen voortgangk kreegh. Maar men moet bekennen, dat hy aldus overgegaan, niet geveinsdelyk, maar in goeden ernst het Pausdom heeft aangehangen, de regels en ceremonien des zelven stip onderhouden, en buiten opspraak, naar de leere van de Roomsche kerke, geleeft: haar met zyne pen en kunst dikmaal ten dienste staande, en altydt yverende om ook anderen te trekken. Dit veranderen strekte veelen tot groote ergernisse, die zyne volgende werken, inzonderheit als ze naar ’t Roomsch rooken, te min waardeerden.

    Doch het treurspel van de Gebroeders, Sauls zoonen, dat hy in den jaare MDCXL uitgaf, trok alle oogen en ooren der kunstverstandigen tot zich; oordeelende dat het zyn beste treurspeelen overtrof. De Professor Vossius, aan wien hy ’t hadt opgedraagen, zeide na ’t lezen, Scribis aeternitati, dat is, Gy schryft voor d’eeuwigheit: als willende zeggen, Gy verdient met uw schryven een’ eeuwigen naam; en speelende op den schilder Zeuxis, die gevraaght, waarom hy zoo lang over zyn werk zat, antwoordde, dat hy voor d’ eeuwigheit schilderde. Toen de Heer de Groot dit treurspel hadt ontfangen, zondt hy den Dichters den volgenden brief,

[47]     Myn Heer.

    Ik heb met verwonderinge gelezen uwer E. Treurspel van Sauls kinderen, waar in ik niet wel en kan zeggen wat my meer heeft behaagt, de Koninklyke invallen en leeringen, of de levendige uitdrukking van de beweging, of de rechtmaatigheit in yder persoon het zyne te geven, of de Hebreeusche manier tot een stip nagevolgt, of yder welgeordende vervolg van het werk. My dunkt ook niet dat het beginsel van dit Treurspel behoeft te wyken aan een gelyk beginsel van Oedipus den Konink by Sophocles, of den vloek van Armoni aan die van Dido by Virgilius, van Hypsipyle by Ovidius, of van Oedipus by Papinius. Ik bidde U E. dikmaal sulke stukken by de handt te neemen, zonder dat groote stuk van den grooten Konstantyn te vergeten. Ik blyve borge dat het zelve hoog aangenaam zal zyn aan alle die des verstaan: en bidde U E. de afwezende vrunden te willen gedenken. Tot Parys den
10 November 1640 .

    U E. gantsch dienstbereide

                    H. de GROOT.


Men vondt nu, zeiden eenigen, in dit uitneemend treurspel de hartroerende beweeghlykheit van Euripides, en de ryzende hooghdraventheit van Sofokles by een.

    ’T was ook in deezen tydt dat onze Dichter tot op den hooghsten top van den Hollandtschen Parnas, door langduurigen vlyt en daaghelyksche oeffening, scheen opgesteegen, en dat al die zich hier te lande nu met dichten bemoeiden, hem in de laaghte maar van verre naarooghden, en langs d’aarde kroopen, terwyl hy boven de starren zweefde. Want in hem zagh men zaaken uitblinken, die in geen’ van al de Nederlandtsche Dichters deezer eeuwe zoo overvloedig in allen deele plaats hadden: dat was zuiverheit van tale, klaarheit en kortheit van zinuitinge, [48] kracht van redeneeringe, rykdom van aardige vonden, en eindelyk zoetvloejentheit met hooghdraventheit; twee dingen die zelden in ’t dichten t’ zaamen gaan. Op dien trant gingen ook zyn twee treurspeelen van Josef in Dothan, en in Egypten, beide in dit jaar uitgegeven.

    Maar zyn treurspel van Peter en Pauwels, in ’t jaar van MDCXLI gedrukt, gaf minder genoegen; om dat het te Roomsch was in veeler oogen. Daarna schreef hy de Brieven der heilige Maaghden, Martelaressen, tot twaalf in getaale, met een opdraght aan de heilige moedermaaght Marie, die hy den tytel van Hemelkoningin geeft, en, als een Midlaares by haaren zoon, begroet en aanroept. Dit was veel opspraaks onderworpen: doch de Brieven zelfs, in ’t jaar MDCXLII uitkoomende, waaren vol kunst en aardigheit. Hy hadt ook voor ’t aanvangen van dat werk de Heldinnebrieven van Ovidius in prose vertaalt; om door dat middel den geestigen zwier van zulk Ovidiaansch briefschryven in ’t hooft te krygen, en in stichtelyker stoffe te vervormen.

    Dat Vondel nu ’t Pausdom zoo aanhing, en daaghelyks dit liet blyken, was den Drossaart zoo tegens de borst, (meenende dat hy wyzer behoorde te zyn) dat ’er eenige verkoeling in hunne vriendtschap uit ontstondt, en verdre verwydering: zulks dat de Drossaart minder werks van hem en zynen ommegang maakte dan voorheenen: ’t geen men eenigzins kan speuren uit dit kleen briefken, door Vondel onder een’ anderen brief geschreven, en in ’t volgende jaar den Heere Hooft t’ huis gezonden. Ik wensch Kornelis Tacitus een gezont en zaalig nieu jaar, en dewyl hy my zyn geuse taafel verbiedt om een onnoozel Ave Maria: zoo zal ik somtydts noch een Ave Maria voor hem lezen; op dat hy sterve zoo devoot Catholyk, als hy zich toont devoot [49] Polityk. Noch viel ’er iet anders voor, ’t welk hunne gemeenschap te meer afbrak. De Drossaart hadde voor ’t Hof te Brussel een pleit hangen, en de Plempen, van Amsterdam herkomstig, (die aldaar met aanzienlyke Heeren vriendtschap hielden) tot zyne hulpe, om ’t werk te vorderen. Eenige Pausgezinden en Priesters in Gooylandt, dit weetende, zochten hier door, hoewel zacht gehandelt, noch meer vryheits te bekomen, en verzochten door de Plempen, dat Vondel dit den Drossaart wilde voordraagen. Hy deede ’t, en voegde ’r by, dat hy hun te wil behoorde te zyn, of dat het hem anders te Brussel moght schaaden. Waar over de Drossaart, zeer t’ onvreede, antwoordde; Dat hy zich daar mede niet hadt te bemoeyen, en dat hy die taal voor een dreigement nam. Dus verwekte Vondels voorspraak voor anderen, ongunst tegens zich zelven.

    Maar hy, om zynen yver tot bevordering van ’t Roomsch geloof te meer te toonen, stelde zyn pen ook te werk aan een lierdicht op ’t Eeuwgety der Heilige Stede t’ Amsterdam: slaande op het wonderwerk, dat de Roomschgezinden beweeren aldaar, driehondert jaaren geleeden, geschiedt te zyn. Dit quam in den jaare MDCXLV te voorschyn; maar verwekte hem veel haats, en maakte een’ heelen hoop van Onroomsche Rymers gaande, die hem, met lamme steekeldichten en krabbelingen, elk om strydt, te keer gingen, nergens toe dienende, dan om ’t graau tegens hem te verbitteren. De Drossaart Hooft toonde ook eenig misnoegen over dat Eeuwgety, schryvende aan den Professor Barlaeus; Vondel heeft een vaars gemaakt op ’t wonder, waar af de Heilige Steê haaren naam draaght: en laat het openbaarlyk voor de boekwinkels ten toon hangen, gelyk de voorvechters de messen in de luifen steeken, om de oogen der voorbygangeren te tergen, als met zeggen, wie ’t hart heeft pluike. My [50] deert des mans, die geenes dings eerder moede schynt te worden dan der ruste. ’T schynt dat hy noch driehonderdt guldens in kasse moet hebben, die hem dreigen de keel af te byten. Noch weet ik niet of het hem niet wel dierder moghte koomen te staan; ende d’ een oft andre heetharsen by ontyde de handen aan hem schenden, denkende dat ’er niet een haan naa kraajen zoude. Dit spel, immers, maakt zulk een brabbeling in de wacht, dat ’er alle daaghs nieuwe krabbeling uit ryst. By dat Eeuwgety voegde de Poëet het Kenteken des afvals, ’t welk met fel uitvaaren noch meer aanstoots gaf, hoewel ’er min tegens gedaan wierdt, hebbende de Nakrabbelaars hunnen aêm ten einde geloopen.

    Doch deeze twee gedichten waaren maar voorloopers van grooter werk, daar de Dichter lang aan hadt gearbeidt; te weeten d’ Altaargeheimenissen, die hy in ’t naajaar te voorschyn braght. Dit werk, ontvouwende de Misse, was verdeelt in drie boeken. Het eerste handelde van d’ Offerspyze, het tweede van d’ Offereere, en ’t derde van d’ Offerhande. Hy hadt zich gedient van den raadt en hulpe der allergeleerdtsten en spitsvondighsten der Roomsche kerke, die hy t’ Amsterdam kon vinden, en volgens hunne aanleiding, en op hunne gronden, was ’t geleerdt en kunstig uitgevoert: Inzonderheit was men verwondert dat hy de duistere woorden van Thomas Aquinas, en andere Paapsche Schoolleeraaren, ontrent deeze stof bedacht, zoo gelukkig in ’t Hollandtsch wist uit te drukken. Maar wat de zaake zelve aanging, die bleef niet onbestreden. Jakob Westerbaan, door zyn huwlyk Heere van Brandtwyk, scherpte zyn pen tegens onzen Dichter, en gaf een Geschrift aan den dagh met den tytel van Kracht des Geloofs van den voortreffelyken en vermaarden Poëet Joost van den Vondel, te speuren in zyn Altaargeheimenissen. Dit gedicht was ’t aar-[51]dighste van al Brandtwyks rymen: hy prees Vondels kunst, maar beschimpte zyn ongestaadigheit in ’t stuk van Godtsdienst, en wederley zyn groot werk der Misse met weinig vaarsen; zich dienende van zoo bondige bewysredenen, dat men zyne kennis in de godtgeleerdtheit klaar genoeg kon merken; ook was hy in zyn jeught een Leerling van Episcopius, dien vermaarden Godtgeleerde, geweest, en zyner lessen noch gedachtig. Vondel deeze wederlegging ziende, vondt zich verlegen, en deedt ’er, ’t geen hy nooit gewoon was, voor ditmaal ’t zwygen toe. Behalven dat hy alleen acht regels schreef op het ontheiligen van het Sacrament des Altaars door den Arminiaanschen Sociniaan: daar hy Westerbaan door meende, dien hy met Socinianery belastte, zonder op zyne redenen een enkel woordt te antwoorden. Dan de wrangheit van dat tegenspreeken zyner Altaargeheimenissen, werdt verzoet door een’ dankbrief en schildery, hem van den Heer Jacob, Aartsbisschop van Mechele, dien het boek toegeëigent was, t’ huis gezonden. Doch hy vondt zich met deeze schilderye, een altaarstuk, zeer bedroogen. Eerst was hy met de gift, door onkunde, meenende dat het een kunstig stuk werks was, vermaakt, en beantwoordde die ingebeelde weldaadt met een heerlyk dankdicht: maar toen het de kunstkenners zaagen, en zeiden, dat het een slechte kopy was, stondt hem ’t geschenk zoo teegen, dat hy ’t zyne zuster Katharina van den Vondel, die te Hooren woonde, vereerde en toezondt; niet willende die haatelyke gedachtenis der armelyke vergeldinge langer onder zyn oogen zien.

    In ’t volgende jaar gaf hy dat groote werk, de vertaaling van Virgilius werken in prose, lang bearbeidt, in ’t licht. Hier in hadt hy grooten vlyt besteedt, om de moederlyke taal met d’ eigenschappen van ’t Latyn zoo naa over een te [52] brengen, den styl en de reede zoo vlak en effen te vlyen, en den eigentlyken zin te treffen, als eenigsins doenlyk was. Hy beklaaghde zich, dat hy, na de doodt van eenige zyner Mecenaaten, of kunstqueekeren, zich hadt moeten behelpen, en met zyn eige riemen langksaamer voortroeyen. Want Reaal, Mostert, Victoryn, Jakob Baake, en Kornelis Gyselbert Plemp, waaren overleeden; en hy hadt nu niemant dan eenen Jakob Venkel, in beide taalen kundig, die hem somwyl met zyn oordeel en raadt, daar hy twyffelde, ten dienste stondt. Toen Barlaeus, de Latynsche Poëet, dien Hugo de Groot den doorluchtighsten der Poëten, en de Drost den Vorst der Dichteren noemde, Vondels Virgilius was ter handt gekoomen, schreef hy aan den Heer van Zulichem: Gy hebt Vondels Virgilius geleezen, of ten minste gezien, maar zonder leven, zonder mergh, en de lenden gebrooken. Indien hem Augustus las, hy zou deezen Maro niet van ’t vier bevryden, ten zy dat gy, geleerde man, het anders verstaat. Barlaeus zagh buiten twyffel op de volmaakte kunst der Latynsche vaarzen, die in Neêrduitsche prose onnaavolghbaar zyn. Ook hadde Vondel, gelyk uit d’ opdraght van ’t werk blykt, al voorzien, dat den Latynen deeze vertaalinge min zou behaagen dan den Nederduitschen, als ze zaagen hoe de Fenix daar vry wat van zyn blinkende vederen had gelaaten: want indien, gelyk zommigen dreeven, onder elk woordt, lettergreep en letter eenige geheimenis van zin of klank school; wat most ’er noodtzaakelyk door d’ ongelykheit der beide taalen, en haaren ongelyken aardt en eigenschappen, en het verschil van naamen en woorden, die teekens der beteekende zaaken zyn, gespilt worden en verlooren gaan, ook zelf aan geuren en bloemen van welspreekenheit; behalve dat dicht en ondicht onderling verschilden gelyk trompetklank en bloote stem. Maar die grondige kennis hadden van de Hol-[53]landtsche taale en haare eigenschappen, oordeelden, dat zyn taal in dit werk onverbeterlyk was; en dat men nergens, daar Duitsch gesprooken wordt, iemant vinden zou, die Hollandtsche woorden en spreekwyzen zou weeten te vinden, de kracht van Maroos Latyn zoo naa uitdrukkende, als hy doorgaans hadt gedaan.

    Op den vertaalden Virgilius volgde het treurspel van Maria Stuart, een treffelyk kunststuk: maar in ’t verhandelen der stoffe gaf hy, uit yver voor ’t Roomsche geloove, geen’ kleenen aanstoot. De lydende personaadje, Maria Stuart, zagh men hier afgebeeldt als ’t eenemaal onnoozel, en zonder vlek. De verfoejelyke misdaaden van overspel, en ’t vermoorden van haar’ gemaal, Koning Henrik Darlay, werdt in dit treurspel geloochent, en haar schandelyk huwlyk met den moorder Botwel verschoont: zaaken daar Thuanus, die alleronzydighste Historischryver, hoewel Roomschgezint, haar schuldig aan houdt. Ook werdt ’er Elizabeth, Koningin van Engelandt, met vuile verwen afgemaalt, als een styfster van ’t ketterdom, die Mariaas bloedt dronk, en als een Herodias, al hieldt ze zich bedroeft, haaren moedt koelde. Dit naamen zommigen euvel op, zoo dat eenigen den Schout en Scheepenen zoo lang aanliepen, en de zaak zoo zwaar voorstelden, dat men eindelyk den Dichter voor ’t recht betrok, en verwees in de boete van honderdt en tachtig guldens. ’T welk veelen vremdt voortquam; weetende wat vryheit van schryven te deezer tydt wierdt gedooght, en dat men den Poëten van oudts noch meer toeliet dan anderen. Dan ’t werdt nu anders verstaan, en de boete aan den Schout Pieter Hasselaar betaalt. Doch de Boekverkooper Abraham de Wees, die al wat Vondel uitgaf drukte, schoot dit geldt; niet willende dat de Dichter schaade zoude ly-[54]den by het werk, daar de Boekverkooper voordeel uit trok.

    Niet lang te vooren nam hy noch iet anders ter handt, de Roomsche kerke desgelyx ten dienste. De Heer Hugo de Groot hadde, korts voor zyn overlyden, den vrede tusschen Roomschgezinden en Protestanten getracht te bemiddelen, en met dat ooghmerk verscheide boekskens geschreven, waar in zommige stukken des Pausdoms werden verschoont, en beweert dat de verzoening tusschen die partyen niet onmooghlyk was. Uit het leste van die boekskens, na de Groots doodt uitgekoomen, heeft Vondel, met zyne helpers, verscheide stukken uitgetoogen, vertaalt, en ook uitgegeven onder den tytel van Grotius Testament; om te beweeren dat die Fenix der geleerdtheit t’ eenemaal Paapsch was geweest, met een vermaaninge om dat spoor te volgen. Dan daar tegen werdt gezeit, dat Vondel zich door zynen yver te ver liet vervoeren: dat men op dit Testament geen’ staat kon maaken; dewyl hy uit de Groots schriften alleen hadt getrokken ’t geen hem meê, en verzweegen ’t geen hem tegen ging: dat hy zommige plaatsen, ’t zy uit onkunde, of uit drift en yver voor zyne kerke, quaalyk hadt vertaalt, verdraait, of vervalscht. Dit werdt hem eerlang in een Voorrede van het tweede deel zyner Poëzye in openbaaren druk verweeten.

    Men hadt, naaulyks twee jaaren geleeden, al zyn verstrooide kleene gedichten verzaamelt, en gedrukt onder den tytel van Vondels Poëzye: doch de heekeldichten achtergelaaten. Maar die heeft men nu, met eenige andere dichten, sedert gerymt, onder den tytel van tweede deel van Vondels Poëzy, te Rotterdam gedrukt, welke druk in het begin van ’t jaar MDCXLVII te voorschyn quam, met de gemelde voorrede, die zyn dicht wel prees, maar hem [55] over zyne verandering in den Godtsdienst, van ’t Mennist tot het Remonstrantsch, en van ’t Remonstrantsch tot het Paapsch, met een ruwe hekel overhaalde. Inzonderheit hadt het de Voorrede gelaaden op Grotius Testament; beweerende, gelyk boven gezeit is, dat de Dichter in ’t by een stellen en vertaalen van dat boeksken niet ter goeder trouwe hadt gehandelt. Het uitgeven van dat Tweede deel, als behelzende verscheide dichten, die de Dichter naa zyn afwyken tot het Pausdom verwierp, en liefst hadde gesmoort, viel hem smertelyk: met naame de Voorrede, wiens Schryver hy wel gaarne hadt geweeten, en daar hy vergeefs naar riedt. De Heer Pieter de Groot, Hugoos zoon, was lang by hem verdacht: daarna hieldt hy ’t ook op anderen, zonder den rechten man te konnen vinden. ’T was een jongeling van twintig jaaren, dien hy korts te vooren, op verkeert aanbrengen, ’t onrecht en scherp hadt bekeven, en die dat ongelyk, door een ander voort gaande gemaakt, met zulk een Voorrede hadt willen wreeken. Maar ik weet dat hy, tot meer jaaren gekoomen, en de zaak van achteren inziende, aan verscheide vrienden, ook aan Vondel zelf, heeft betuight, hoe leedt hem was dat hy zulk een’ vermaarden man zoo schendig had doorgestreeken.

    Ontrent deezen tydt, en vroeger, raakte des Dichters heekelpen weêr gaande, door den burgertwist en inlandtschen oorlogh in Engelandt. Hy hieldt het met den Koning, en haalde zyn partyen, die hy Puriteinen en Brunisten noemde, vreeslyk over. Ook heeft hy deeze stof in de volgende tyden, toen ’t den Koning alles tegenliep, verder vervolght, en zyne vyanden, met naame Kromwel, leelyk afgemaalt.

    Het jaar van MDCXLVIII, toen d’ eeuwige vrede, tusschen Spanje en de vereenigde Nederlanden, wierdt ge-[56]slooten, gaf den Dichter gelegentheit tot het dichten van ’t Leeuwendaalers Lantspel, dat op den trant van Guaryns Herderspel, de rampen des vaderlandts, door langhduurigen oorlogh uitgestaan, en de gewenschte verlossing, door ’t winnen van vrede en volkoome vryheit, den volke vermaakelyk voor oogen stelde; met een’ styl, die op een landtspel* paste, niet te plat noch plomp van toon, noch hooger ryzende dan zyn behoorlyke maat. In ’t zelve jaar schreef hy ook het treurspel van Salomon, dat desgelyks in ’t licht quam, met een opdraght aan den Heer Justus Baake, en den dagh overwaardig was.

    Hierna vondt zyn heekelpen weêr werk in ’t jaar MDCL, naa ’t mislukken van den toeleg op Amsterdam. Toen schreef hy verscheide dichten, die den aanslagh en d’ aanraaders mispreezen. Deeze quaamen wel zonder naame te voorschyn, maar yder regel, ja bykans elk woordt, gaf den Dichter genoegh te kennen: die in drie volgende jaaren niet dan eenige korte dichten uitgaf: waar onder d’ Uitvaart van den Admiraal Marten Harpertzoon Tromp uitmuntte, beide door taal en stof.

    In den jaare MDCLIII hielden eenige Schilders, Poëten en Liefhebbers der dicht- en schilderkunste, ontrent hondert in getaale, t’ Amsterdam S. Lucas Feest: daar ze den twintighsten van October op S. Joris Doelen ter maaltydt gingen, en iemant, Apollo verbeeldende, den Dichter Vondel, ten dien einde genoodight, en aan ’t hooger eindt van de tafel op een’ hoogen stoel geplaatst, den lauwerkrans op ’t hooft zette. Hier werdt Apelles en Apollo, de schilder- en dichtkunst vereenight, als door eenerhanden bandt van onderlinge gemeenschap verknocht en gelyk vermaaghschapt: gelyk men ook van oudts de schildery een stomme Poëzy, en de Poëzy een spreekende schildery [57] noemde: dewyl de schilder zyne gedachten met streeken en verwen, de dichter zynen zin met woorden uitbeelt. Te deezer tydt quam zyne Vertaaling van Horatius Lierzangen, boven gemeldt, onder de pers; maar buiten zyn toedoen, door iemant die een afschrift wist te bekomen. Doch hy, ziende den druk niet te verhinderen, hieldt ’er de handt noch aan, en droeg die vertaaling op aan de Kunstgenooten van Sint Lucas t’ Amsterdam, Schilders, Beeldthouwers, Teekenaars en hunne begunstigers: tot een blyk van de genegentheit, die hy hunne edele kunste toedroegh, met erkentenisse der gunst en eere op hun feest genooten.

    In ’t volgende jaar van MDCLIV braght hy zyn treurspel van Lucifer te voorschyn. Dit werk was, ten aanzien van de kunst, niet het minste zyner treurspeelen, maar ten opzicht van de stoffe en ’t uitwerken veel opspraaks onderworpen. Sommige Predikanten bestraften opentlijk op stoel, dat men zulke bybelstof, en den hemel met d’ Engelen, op het tooneel braght: dat men ’t heilige vermengde met menschelyke vonden, en daar een spel van maakte. In dit spel, zeiden ze, waren onheilige, onkuische, afgodische, valsche, en gansch stoute dingen, te spitsvondig uit menschelyke harssenen gezoogen, begreepen. Hun prediken en verzoek hadt zoo veel krachts, dat men Lucifer, naa twee reizen speelens, van ’t tooneel weerde. Doch dat tegenstreven verwekte te grooter nieusgierigheit om te leezen ’t geen men verboodt te speelen: de gansche druk van duizendt boeken werdt in acht daagen tydts uitverkocht: zoo dat de Boekverkoper het treurspel weêr van nieuws op de pers braght. Onder de Predikanten, die meest hier in yverden, was Petrus Wittewrongel, een Zeeuw van geboorte, wel de voornaamste, die daaghelyks den Schouburg met de tooneelspeelen in zyne predikatien overhaalde; die noemende schoo-[58] len der ydelheit, zondige hooghsten; overblyfsels van ’t Heidendom, aanleidingen tot zonden, godloosheit, onreinigheit, lichtvaardigheit en tydtspillinge.

    Vondel, met zulke sterke tegenstrevers te doen hebbende, liet den moedt niet vallen: maar paste dit op Wittewrongel,

    Trompetter van de Zeeuwen,
    Gy terght een nest vol spreeuwen.


Hy stelde een Tooneelschildt of pleitrede voor het tooneelrecht in prose, daar hy de Predikanten niet in spaarde, maar hen beschreef, met veel bitse en bittre woorden, als oordeelloose gezellen, kerkuilen en bedilallen, bybrengende tot zyne verdediging, dat het ooghmerk der treurspeelen is den verwilderde aardt in te toomen, en zeden in te scherpen, en dat het blyspel de zwaarmoedige geesten verlicht: en indien men om der dingen misbruik altydt het recht gebruik most verwerpen, dat ’er ter werelt niet onomgewroet en in zyn geheel zou blyven. Aangaande de bybelstof, die de Predikanten allermeest van het tooneel wilden houden, heeft hy elders zich beroepen op de voorbeelden en toestemminge van heilige en van geleerde mannen; zeggende, dat de Propheet Ezechiël een treurspel van den uittoght der twaalef stammen uit Egypten hadt naagelaaten: dat d’ oude Kerkenleeraar Gregorius Nazianzener zelf den gekruisten Christus tot stof van een Grieksch treurspel hadt gebruikt, en Hugo de Groot zyn voorbeeldt in ’t Latyn gevolght, die ook zynen Joseph ten tooneele voerde: dat Buchanaan treurspeelen van Jeptha en Joannes den Dooper hadt naagelaaten: dat zelf Theodoor Beza, Kalvyns amptgenoot, een treurspel van Abrahams offerhande hadt gedicht, de Raadtsheer van den Honert de treurspeelen van Moses den taafelbreeker en Thamar, en Daniel Heinsius den kindermoordt van Herodes: dat ook Blondel, die geleerde Theologant onder de Ge-[59] reformeerden, naamaals Professor der kerkelyke Historien t’ Amsterdam, met alle de Predikanten van het Synode te Chastres in Languedocq, in het schouperk het spel der Latynsche schoolieren quam zien en hooren. Op deeze redenen zou veel te zeggen vallen, indien men die gezint waare t’ ontzenuwen. Maar dit ’s hier ons werk noch ooghmerk niet; dewyl wy hier alleen toeleggen om des Dichters leven, aardt, en bedryf te melden. De Dichter schreef ook te deezer tydt twee gezangen, op al dit werk slaande; d’ Uitvaart van Orfeus en den Speelstrydt van Apollo en Pan: in beide die Gezangen de Predikanten bedektelyk steekende; in ’t eerste, als vyanden van Orfeus. Men las ’er deeze woorden:

        Zy bulkten overluidt,
        Zy bulkten overluidt, vol uit;
    Wat plaaght ons al dit speelen!


En daarna;

        Een zeeslang, wit van tong,
        Een zeeslang, wit van tong, zich wrong,
    Om ’t bloedig hooft te likken.


Woorden, die, gelyk men licht zien kan, zyn gal op Wittewrongel, den Zeeuw, uitgooten. In het tweede, den Speelstrydt, vondt men ook vaarzen, die op de Predikanten schimpten, onder anderen deeze,

        Ook wou zyn zangk hunliên
        Ook wou zyn zangk hunliên, bediên,
    Hoe zommig slag van beesten
        Met kracht geen wit magh zien:

        Een ander aardt zich stoot
        Een ander aardt zich stoot, aan ’t roodt,
    Een verf by d’ olifanten

[60]        Gehaat, gelyk de doodt:

        En hoe zich ’t buffels velt
        En hoe zich ’t buffels velt, ontstelt
    Om ’t roodt en roode rokken.


Dan dit schimpen ging ongemerkt heenen, zonder dat de Leeraars, daar hy ’t op hadde, zich dat aantrokken.

    Om ’t nadeel geleeden by het Wees- en Oudemannenhuis, door het sluiten van den kostelyken en kunstigen tooneelheemel, daar men Lucifer in hadt beginnen te speelen, eenighzins te vergoeden, braght hy een treurspel van Salmoneus, daar die toestel van een’ gebootsten heemel in te pas quam, op het toonneel; geensins van de minste zyner treurspeelen. Dit werdt in het jaar MDCLVII gedrukt; wanneer ook Davids Harpzangen, een treffelyk werk, en op veelerley maaten gedicht, te voorschyn quaamen: Opgedraagen aan Koningin Christina Maria Alexandra, die hy om haare nieuwe naamen en afval tot het Pausdom, daar ze hem in geleek, nu dies te hooger zette, en met meer andre lofdichten vereerde.

    In ’t zelve jaar gaf hy zich weêr op reize naar Denemarken, om zyn zoons schulden te innen; daar hy weinig genoegen vondt. Want weêr t’ huiskoomende, en van zyne vrienden gevraaght, of hy ’t by de Deenen niet al moede was, gaf hy ten antwoordt, dat hy meenighmaal dacht;

    O Heer, wilt my verlossen

    Van deeze Deensche ossen.


Daer schreef hy verscheide dichten tot lof van den Koning Frederick den derden, de Koninginne Sofia Amalia, en andere Grooten; t’ Amsterdam gedruckt met den tytel van Parnas aan de Belt.

    Maar dees groote Dichter, die zoo veel groote persoo-[61]naadjen, Prinsen, Vorsten, Koningen en Helden verplichtte, door onsterffelyken lof, hun toegezongen, hadt met al zyn dichten en edelen arbeidt niet eenen Mecenas of Augustus kunnen winnen, die hem in een’ kommerloozen staat stelde. Maar in ’t tegendeel was hem zoo veel tegenspoedt en schaade bejegent, dat hy in den ouderdom van seventigh jaaren gevaar liep van gebrek te lyden: ’t geen ook ten grooten deelen zyn naaste bloedt stondt te wyten. Zyne huisvrou hadt hem, (want zyn zoon Konstantyn en dochter Sara waaren beide jong gestorven) twee kinders naagelaaten, een’ zoon van zynen naame, en een dochter, Anna van den Vondel. De dochter, die naar den vader aarde, en schrander van verstandt was, werd geestelyk. Den zoon, die kleen van geest, en los van hoofde was, hadt men tot neering en koopmanschap opgebracht: maar was ’er de man niet toe. Van hem werdt vertelt, dat hy in zyne domme onwetenheyt zynen vader, als iemant van Josefs treurspeelen sprak, afvraagde of Josef niet Katholyk was? Dees met zyn eerste vrou by zynen vader woonende, nam zyne zaaken eenighsins waar, en droeg zich passelyk: maar na haar doodt met dry kinderen, twee zoonen en een dochter (die namaals by den grootvader woonden, en in de bloem hunner jeught overleden) blyvende zitten, begaf zich tot een tweede huwelyk, dat niet wel beslaaghde; quaalyk gepaart met een vrouwe die zyn losse zinnen voort aan ’t hollen holp, en veel geldts verdeê. Dit baarde den ouden man zoo veel verdriets, dat hy, met zyn dochter, van hun af ging woonen; en men hoorde hem, toen met Davids Harpzangen besigh, dikwils zeggen, Indien ik de troost en verquikking der Psalmen niet hadde, ik verging in myn elende. Hy zeide ook meenighmaal tegens zyne vrienden; Noemt geen kinders naar uwen naam; want[62] die wordt gebrandtmerkt, als ze niet doogen. Dus strekte die zoon, den vader tot een geduurige quelling. Door zyn ongeregelt leven, slecht beleidt, en bot verzuim, liep alles in ’t wilde. Hy verquiste en verloor, binnen weinig jaaren, niet alleen zijn eige middelen, maar ook zoo veel van ’t geen hem anderen hadden toebetrout, dat hy op ’t punt stondt van te breeken, en door te gaan; ten waare zyn vader, uit vaderlyke zucht en eerlieventheit, hem de handt hadt gebooden; de schuldtheffers te vrede stellende, en groote sommen voor hem betaalende. Toen zochten de vrienden den zoon met redenen te beweegen dat hy naar Oostindië zoude vaaren: maar hy hadt’ er geen ooren toe, en de vader vondt zich eindelyk genoodtzaakt, nevens de vrienden, van de Heeren Burgermeesteren te verzoeken, dat men hem met dwang derwaarts moght zenden, ’t welk daatlyk werdt ingewillight. Hy voer heenen, maar storf op de reize. Doch de vader, die men houdt dat ontrent veertig duizendt guldens by hem liet zitten, ook veel schaade hebbende geleden by anderen, dien hy ’t zyne betroude, vondt zich in groote verlegentheit; weinig anders overigh hebbende dan ’t moederlijke goedt van zijn dochter Anna van den Vondel, hem niet eigen. Aan haar heeft hy dat goedt, en wat hem van ’t zyne noch overschoot, gerechtelyk opgedragen: om indien de zoon, van wiens overlyden hy noch geen tyding hadt, weêr nieuwe schulden maakte, dat overschot tegens alle schuldenaars, ten behoeve van zyn dochter, die by zyn verlies schaade genoegh reekende, te verzeekeren. Doch hier door werdt het geen noch in handen was, wel bewaart, maar scheen naaulyks genoegh om voortaan van te leven. En wat raadt, als men dit moght verteeren? Hier was goedt raadt dier. Hy kon in zijn’ hoogen ouderdom niet anders dan vaarzen maaken: [63] een weetenschap, die, gelyk Nasoos vader, om zyn’ zoone de kunst tegen te maaken, plagh te zeggen, geen gewin inbrenght. Dan eindelyk vonden zommige bloedtvrienden zyner huisvrouwe geraaden, eenigh ampt of bediening voor hem te verzoeken. Dit geschiedde meest door beleidt van zyn’ neef, Joan de Wolf, en buiten zyn toedoen; want hy was te edelaardigh om zynen noodt te kennen te geven. Zy naamen dan in ’t einde van ’t jaar MDCLVII, of in ’t begin van LVIII, haar toevlucht tot de Vrou van Vlooswyk, Anna van Hoorn, gemaalin van den Heere Kornelis van Vlooswyk, toen regeerend Burgermeester der stadt Amsterdam; ontdekkende zyn verlies en noodt, met verzoek van haar voorspraak by den Heer Burgermeester. De Vrou van Vlooswyk, eedelmoedig van aardt, liet zich niet lang bidden; maar door ’s mans waarde en noodt tot deernis bewoogen, braght eerlang te weegh, dat hy den lesten dagh van Januarius des jaars MDCLVIII, ’s daaghs voor de jaarlyksche verandering der regeeringe, met een ampt in de bank van leeninge (dewyl ’er toen niet beters open viel) wierdt begiftight: een bediening, daar hy jaarlyks zeshonderdt en vyftig guldens van kon trekken.

    Hier door was hy wel bewaart voor armoede, maar vondt zich verplicht den ganschen dagh op de bank te passen, de Heeren, die daar van stadts weegen ’t beleidt en opzicht hadden, met ontdekten hoofde ten dienste te staan: en zyne kunstpen, gewoon den hooghen tooneelstyl te schryven, en verheve gedachten op papier te brengen, most zich hier vernederen, (dewyl hy Boekhouder van de beleenbank was) om de panden, daar men d’arme of verlegene luiden geldt op leende, te boek te zetten: ’t welk dien hooghvliegenden geest haast verdroot. Ook begon hy, als ’er maar weinig tydts overschoot, die uuren aan de [64] Poëzy te besteden, en allengs, het Lombaardtwerk meer en meer moede, den dienst, hem opgeleidt, te verzuimen, en in plaats van panden vaarzen te schryven. daar vielen wel eenige klaghten over dit verzuym: maar de Heeren van de Bank zaagen zyn doen en laaten heuschelyk door de vingers, en leidden ’t op zynen ouderdom. Dit duurde tot in ’t jaar MDCLXVIII. Toen hebben de Heeren Burgermeesters, weetende hoe weinig dienst de bank van hem trok, hem van zyne bedieninge ontslaagen, mits behoudende zyn wedde [Gaadje]: ’t welk meest door voorspraak van den Heer van Polsbroek, Kornelis de Graaf, den Burgermeester Lambert Reinst, en de gunst des Heeren van Vlooswyk werdt uitgewerkt. De Heer van Oudtshooren gaf hem te kennen, dat de Heeren Burgermeesters hem hadden ontslaagen, daar hy over verstelt stondt. Doch strax hoorende, dat men hem zyn wedde liet houden, streek de zwaarigheit van zyn hart, en hy bedankte de Heeren voor hunne gunst en weldaadt. Dus werdt hy weêr zyn eigen man, (naa dat hy meer dan tien jaaren in die Bank, voor hem een’ halven kerker, hadt gezeeten) en al was zyne inkomst niet groot, hy hieldt zich met luttel te vreede, versleet de rest van zyn daagen gerustelyk met genoegen, en leefde nog byna elf jaaren.

    Geduurende zyn verblyf in de bank van leeninge dichtte hy noch verscheide treurspeelen en andre werken van meer belang. In den jaare MDCLIX braght hy zyn’ Jeptha, of Offerbelofte, in ’t licht, aan de Vrou van Vlooswyk, tot een teeken van dankbaarheit, toege-eigent. Een treurspel uitneemend in allen deele: zulks geschikt, dat het, gelyk hy in ’t Berecht na d’ opdraght aanwyst, alle de tooneelwetten der ouden, met naamen van Aristoteles, zyns oordeels voldeede. Het spel (ik zal my hier van zyn eige woorden [65] dienen) hadt zyn behoorlyke hoegrootheit en leden met de maate van evenredenheit gemeeten. De gansche handel van Jeptha was een en eenig, en de verscheidenheit der bedryven, en alle omstandigheden van tydt en plaatze werden hier tot het uitvoeren en voltrekken van deezen eenigen handel geschikt: dewyl de schikkelyke t’ saamenstelling der bedryven de ziel des treurspels wordt genoemt. Het toonneel stondt hier doorgaans onverwrikt en vast voor het Hof te Mizpe in Gilead . Het spel was niet eenverwig, maar geschaakeert. Zoo heeten de Dichters het volkoomener slagh van spel, dat niet altydt eenen zelven toon van droefheit of blyschap houdt, maar van staat verandert, het zy van ongeluk in geluk of van geluk in ongeluk. Ook leverde deeze geschiedenis den rechtschapen aardt van een treurspel: want de zwaarigheit en het haaperen viel niet simpelyk tusschen gemeene of verre bloedtvrienden, maar tusschen het naaste bloedt, vader, moeder en dochter, en een eenige dochter. De hooftpersoonaadje Jephta verscheen hier niet geheel vroom nocht onvroom, eene hoedaanigheit eigentlyk in de hooftpersoonaadje van een volkoomen treurspel vereischt. De beide hooftcieraaden, hier by een gevoeght, by de Latynen peripetia en agnitio, of staatverandering en herkennis genoemt, baarden hier hunne kracht met een maghtige beweegenisse: want d’ onmaatige blyschap der moeder veranderde in d’ uiterste droefheit, gramschap, wraaklust en zinneloosheit: gelyk ’s vaders reukelooze offeryver in een schrikkelyk en bykans mistroostig naaberouw: en zy quaamen beide te spaade tot kennis, d’ eene van haar dochters ongeluk, d’ ander van zyne blindtheit, in het goddeloos uitvoeren der dwaaze offerbelofte. De uitbreidtsels, by de Latynisten episodia geheeten, werden niet tegens de natuur ingedrongen, nochte te verre gehaalt, maar dienden [66] ter zaake. Onder de trapwyze en langkzaame opsteigeringe werdt ’er by wylen eenig zaadt van het toekoomende gezaait, dat te zyner tydt opquam, om opmerkende toehoorders geduurig t’ onderhouden, in een bespiegeling van het navolgende. De rede was gevormt naar den staat en gesteltenis der persoonaadje: zoo dat elke persoonaadje naar zyn oude, staat en gelegentheit werdt uitgebeeldt, en de zeeden en spreuken naar den leest van elks lyf gepast. De slagh voorheenen tegens Ammon geslaagen werdt in ’t voorbygaan slechts aangeroert: de strydt sedert tegens Efraim gestreden breedt verhaalt; dewyl die niet kon vertoont worden, ook buiten tydts was. De maaght storf niet voor d’ oogen der aanschouwers ’t welk Horatius in zyn dichtkunst verboodt. Maar de voorbereiding ter doodt werdt den oogen niet onttrokken: dewyl het zien de harten meer beweeght dan het verhaal en aanhooren van ’t gebeurde. Voorts zocht de Dichter* de dry deughden des tooneelstyls te bereiken klaarheit, en geloofwaardigheit doorgaans, en kortheit ter behoorlyke plaatze. Dit treurspel, dus uitgewrocht, kon den opwassenden Dichteren, tot een tooneelkompas dienen, om alle klippen en zandtplaaten van doolingen, en schipbreuk van onwettige schikkinge te myden, en ter haven van de volkoomenheit der tooneelkunst in te zeilen. Dus schryft de Dichter van zyn eigen werk, doch niet buiten waarheit: en dit Berecht kan dienen, op dat men zie hoe verre hy deeze orde, regels, en schikking in zyne andre treurspeelen hadt waargenoomen; en alles naar zyne rechte waardy schatte.

    Naar Jeptha heeft hy noch een goedt getal van tooneelwerken voortgebraght, betoonende met der daadt, dat hy met recht in een byschrift op zyne afbeelding hadt gezeit,

[67]    Vindt niemants brein in bloedt, noch gal, noch tranen smaak;

    Dees leeft in treurdicht: ay, vergun hem dat vermaak.


Al die treurspeelen stuksgewys te verhaalen, zou te lang vallen: dies zal ik ze slechts optellen, naar d’ orde der jaaren, als ze te voorschyn quaamen. Koning Edipus uit Sophokles volgde kort op Jeptha, en hier op Koning David in ballingschap: voorts David herstelt: Samson, of heilige wraak: Adonias, of rampzaalige kroonzucht: Batavische Gebroeders, of onderdrukte vryheit: Faëton, of reukelooze stoutheit: Adam in ballingschap, of aller treurspeelen treurspel: Ifigenie in Tauren uit Euripides: Zungchin, of ondergang der Sineesche heerschappye: Noah, of ondergang der eerste werelt: Euripides Feniciaansche of gebroeders van Thebe: en eindelyk Herkules in Trachin van Sophokles. Onder deeze tooneelstukken hadt hy den Herstelden David, by gelegenheit van de wonderbaare herstellinge des Konings van Grootbritanje, Karel den tweeden, in dicht gebraght: en in ’t treurspel van Faëton, naar ’t oordeel van zommige scherpziende Kunstminners, het oog gehadt, op het hoogh bestaan des Konings van Vrankryk tegens den Paus; toen zyne Majesteit voldoening eischte van ’t ongelyk hem in den persoon van zynen Gezant aangedaan. Want d’ eere van den Paus ging onzen Dichter bykans boven alles ter harte. De Feniciaansche en de Herkules in Trachin, die hy ontslagen van den bankdienst uitgaf, waaren de leste zyner treurspeelen, gedicht in den ouderdom van eenentachtig jaaren.

    Doch uit dat groot getal zyner treurspeelen heeft men slechts weinige op den Schouwburgh ten tooneele gevoert en vertoont. Zommige werden geweert om de Bybelstof; eenige door de Hoofden des Schouwburghs verworpen, om den Paapschen inhoudt. Ook heeft men Vondel dikwils [68} hooren klaagen over de nydigheit van een’ der Schouburghoofden, steedts toeleggende om zyn treurspeelen te bederven, en onnut te maaken. Dees, (niet waardig dat men zynen naam hier melde) om zeeker tooneelwerk, door eenige groote Dichters, uit heuscheit, en om hem in de kunst aan te moedigen, gepreezen, verhief zich zelven op dien lof boven zyne waarde, en Hooft des Schouwburgh geworden, zocht zynen roem te vergrooten met anderen te verkleenen. Tegens onzen Poëet zich kantende, diende hy zich van deezen trek: hy wist door zyn beleidt te weegh te brengen, dat men in Vondels treurspeelen de rollen verdeelde aan onbequaame speelers, en die ook mismaakte, door oude versleete en wanschikkelyke kleederen. Dit veroorzaakte, dat’er op zulk speelen weinig toeloops volgde, en de kleene toeloop, dat men Vondels speelen te minder achtte. Daar verder toe holp, dat men met der tijdt andere speelen, meest uit het Spaensch vertaelt, invoerde, die door ’t gewoel en veelerley verandering, hoewel ’er somtydts weinigh kunst en orde in was, den grooten hoop, (zich aan ’t ydel gezwets en den poppentoestel vergaapende) zoo behaagden, dat men kooper boven goudt schatte, en Vondels treurspeelen achter de bank wierp. Doch de speelen, die op het tooneel quamen, zyn (behalven Lucifer, slechts tweemalen vertoont, als gezeit is) de volgende: Gysbrecht van Aamstel, Joseph in ’t Hof, Elektra, Josef in Dothan, Josef in Egypten, De Gebroeders, Leeuwendaalers, Salomon, de Maaghden, Salmoneus, Jeptha, David in ballingschap, Samson, David herstelt, de Batavische Gebroeders, en Edipus. Ook werdt Palamedes in den jaare MDCLXV toen men den Schouburgh verboude, door Tooneelspeelers, op een plaats Drooghbak genoemt, in de teertuin by de Haarlemer poort, tot drymaalen opent-[69]lyk vertoont; zonder verlof te vragen, ook zonder iemants tegenzeggen, of verbodt. ’T was ook in den jaare MDCLXIII te Rotterdam voor den volke gespeelt, zonder dat het de Kerkenraadt, die zich met een bezendinge aan de Magistraat hier over beklaaghde, met verzoek, dat men ’t zou verbieden, kon beletten. Zoo waaren de tyden in veertig jaaren, sedert het dichten van dat treurspel, hier te lande verandert.

    Nu staat ons het overige van des Dichters werken kortelyk te melden. Terwyl hy noch in de Leenbank zat beneepen, gaf hy in den jaare MDCLX den geheelen Virgilius uit, in Nederduitsch dicht vertaalt: en al kon hy dien grooten voorganger niet altyd met gelyke schreden volgen, noch in luister van eere met hem gelyk staan, (’t welk het menschelyke vermoogen bykans te boven gaat) nochtans oordeelden de kenners, dat hy hem veeltydts zeer naa quam, en als op de hielen tredende, geen’ kleenen lof verdiende. Ook heeft hy, in den jaare MDCLXII en LXIII, drie werken van heilige stoffe, of den Godtsdienst betreffende, in ’t licht gebraght: De Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst, tegens d’ Ongodisten, verloochenaars der Godtheit, of Goddelyke voorzienigheit; Johannes den Boetgezant, en De Heerlykheit der Kerke, haer ingang, opgang, en voortgang: boeken, waar in hy verscheide stoffen van Godtgeleertheit in zuiver Duitsch met kunstige welsprekentheit (hoewel, naar ’t oordeel der Onroomschen, niet zonder groote misslagen) verhandelt: voornaamelyk in zyne Bespiegelingen, die met groot overleg, en raadt van geleerde mannen waaren bearbeidt.

    Eindelyk quam de Herscheppinge van P. Ovidius Naso in den jaare MDCLXXI, in ’t vierentachtighste zyns ouderdoms, in dicht overgeset, aen den dagh, een werk [70] dat verwonderlyk was, ten aanzien van soo hooge jaaren.

    Dat hy zulk een ouderdom bereikte, en zyn ongelooflyke neerstigheit, door geen ander beroep belemmert, of alles om d’ edele Poëzy ter zyde stellende, braght, behalven de werken tot noch toe gemeldt, zulk een meenighte van verscheide dichten, by allerlei gelegentheit, en op alderhande stoffen, voort, dat men ’t niet gelooven zou, indien ze niet in elks handen waaren. Hy liet geen stof onverhandelt, geen maat onberymt. Men vindt in zyn gedrukte Poëzye veelerlei Zeegesangen, en voornaame Lofdichten; ook verscheide Klinkdichten; meer dan hondert Lierdichten, zoo in boeken verdeelt, als onder andere dichten verspreit; ontrent anderhalfhondert byschriften op afbeeldingen van Keisers, Pausen, Koningen, mannen van staat, geleerden, Schilders, Kunstenaars, en voorts op Vrouwen; dan noch geen kleen getal van Bruiloftdichten; Lykdichten; Grafschriften; Geboortedichten; Dankdichten; Brieven; Klaghten; Hekeldichten; ten deele boven gemeldt; Lofdichten op uitgegevene boeken en schriften; Opdraghten; Byschriften op steden en gebouwen; Lofdichten op schilderyen; teekeningen en andere kunst; Byschriften op gedenkpenningen; Schouburghdichten; Gedichten in stamboeken; en Raadtsels; Gezangen; Dichten op stichtelyke en kerkelyke stoffe; Mengeldicht; en Vertaalingen. Al te zaamen overblyfzels van zyn onuitputbaar verstandt. By dit alles komen noch veel oude rymen, die hy groene en onrype vaarzen plag te noemen: moetende, zyns ondanks gedoogen, dat men ze, in* de jaaren MDCXLIV, MDCXLVII, en MDCL op nieuw in ’t licht braght, en voor kunst onder andere dichten op veilde, hoewel, zyns oordeels, nut-[71]ter gescheurt en verworpen. De leste Gedichten, die men van hem zagh, waaren etlijke byschriften op den Heer Johan de Wit, en zynen Broeder den Ruwaart, verfoejende den moordt in den jaare MDCLXXII aan hen gepleegt; een gedicht op de zeege van Groningen, van de Bisschop van Munster in ’t zelve jaar vergeefs belegert; een ander op het verkoopen van Italiaansche schilderyen,* de zeege der schilderkunst,* het grafschrift op den Heer Joan Blaau, en ’t byschrift onder d’ afbeeldingh van den Onderadmiraal Joan de Liefde, in ’t jaar MDCLXXIII; en ’t allerleste het Bruiloftdicht op het huwlyk van Sybrant de Flines met Agnes Blok, in September des jaars MDCLXXIV, toen hy zyn zevenentachtigste jaar op weinig weeken na hadt bereikt.

    Sedert liet hy de Poëzy rusten: te meer om dat hem de Geneesmeesters verboden yet te doen daar zyn herssens op mosten werken; oordeelende dat het hem in dien ouderdom ten hooghsten zou schaaden. Hy volgde dien raadt, en behielt, tot weinigh tydts voor zyn doodt noch een vaste gezontheidt. In den jaare MDCLXXVI zagh ik hem noch etlyke geschreve gedichten leezen, zonder bril, daar hy zich nooit van diende. Het eerste dat in zynen ouderdom bezweek, waren de beenen; dies most hy, zijn gangh hem begevende, zich in huis houden. Ook begost zijn geheugenis ontrent desen tijdt te verzwakken: want hem bezoekende bevondt ik, dat hy somwyl in ’t midden van zyn reede bleef steeken, en den draat van zyn gesprek verloor of vergat; maar als men hem indachtig maakte, ’t geen hy even te vooren zeide, dan hervatte hy zyn reede, en ging voort. Dit viel hem moeylyk (want zyn oordeel was noch volkoomen) zoo dat hy zomtijts met droefheit zeide; Ik ben niet langer bequaam met menschen te spre-[72] ken, of een reede te voeren. In deezen standt echter heeft hy, op myn vraagen, verscheide dingen openhertig gemelt, die hy voorheenen plagh te bedekken: rondt uit bekennende dat het Hanekot, het liedt van den Otter, en Reyntje de Vos, met verscheide andere gedichten, in voortijde zonder naam gedrukt, pylen uit zyn kooker waaren. Het Vlaamsch schimpdicht op het geschil der predestinatie beginnende, Ol es de mensch elacie, schreef hy den Heere Laurens Reaal toe. Het gedicht op de Haaghlopers, beginnende ’T malle ventje was, zeide hy, Mosterts werk: en een ander van Malle Jan de vent, het maaksel van Henrik Hooft, broeder des Drossaarts.

    In deezen tydt, en toen hy niet langer gaan, en naaulyks staan kon, en altydt by den haart moest zitten, strekte hem ’t bezoek en d’ aanspraak der vrienden tot geen kleen vermaak; die hy in ’t scheiden met hertelyke handtdrukkinge, en een Godt loon ’t, bedankte. Onder de geenen die hem in zyn leste jaaren meest bezochten, was d’ Advokaat Plemp en zyn broeder, zoonen van zynen ouden vriendt den geleerden Kornelis Gyselbert Plemp: ook de Dichter Antonides, eer hy naar Rotterdam met der woon vertrok, Geeraardt Brandt, Jakob Leeuwen, en de schilder Flips de Koning, met weinige anderen. In ’t jaar van MDCLXXVII,* het negentigste zyns ouderdoms, liet hy zich met een slede aan de huizen van twee Burgermeesteren rijden, en zoo zwak van lichaam als van geheugenisse, by hen leiden of dragen: hun, elk in ’t bezonder, met half gebrooke woorden biddende, dat ze zyn zoons zoone, naar hem genoemt, die hun beide, van moeders weegen, in maaghschap bestondt, met eenig ampt of bedieninge wilden voorzien: op dat hy, die nu by een Schoenmaker wrocht, en weinigh won, daar van moght leven. Maar [73] op dat verzoek kreegh d’ oude man geen anderen troost dan goede woorden.

    Hier na volgde allengs een verval van krachten. Zyn ouderdom was zyn ziekte. Het pit des levens ontbrak oly: de lamp most uitgaan by mangel van voedzel. Ook begaf hem de natuurlyke warmte, en de koude des winters viel hem des te lastiger: zoo dat hy met een’ zyner vrienden daar van spreekende, al boertende verhaalde, dat hy een grafschrift op zich zelven hadde gemaakt. Men magh, zeide hy, als ik sterf op myn graf zetten,

    Hier leit Vondel, zonder rouw,
    Hy is gestorven van de kouw.


Dit meen ik was de leste snik zyner Poëzye. Hy verlangde nu naar de doodt, klagende dat d’ ouderdom een zwaare last was: maar zeide noch somwijl al boertende, Ik ben oudt, maar niet geemelijk. Hy plagh van oudts ongaarne van de doodt te hooren spreken: en ziende zyn zoons zoon, Willem van den Vondel, in de doodtkist leggen, zeide tot zyn dochter Anna; Wat is de doodt een leelyke pry! daar leit nu die schoone jongeling, en is een lyk, dat rot. Op een anderen tijdt zeide hy tegens zyn nicht Agnes Blok, ik heb geen zin in de doodt, en als zy vraagde, Hebt gy wel zin in ’t eeuwigh leven? was zyn antwoordt, jaa daar heb ik lust toe: maar ik wilde ’r wel als Elias naar toe vaaren. Doch nu begon hy somwyl tot haar te zeggen; Bidt voor my, dat Godt de Heer my uit dit leven wil haalen, en als ze hem vraagde, Wilt gy dan nu dat die leelyke pry koome? zeide hy in ’t lest, Ja dat ze koome. of ik langer wachte, Elias wagen zal toch niet koomen. men moet den gemeenen wegh in. Eindelyk verkreeg hy zynen wensch. By zyne zwakheit quam een weinig ziekte, doch voor hem genoeg. Hy lagh ontrent acht daagen, maar zonder merkelyke [74] pyne, of schyn van benaautheit: zoo dat hy scheen te sterven zonder ziek te zyn. Ook ontging hem zyn adem en geest zoo zacht en onvoorziens, dat de vrienden, die in huis waaren, om op zyn einde te letten, zynen uitgang naaulyx merkten. Dit geschiedde den vyfden van Februarius in den jaare MDCLXXIX, ’s morgens tusschen vier en vyf uuren (na dat hy op zyn doodtbedde, volgens de wyze der Roomsche kerke, was berecht) in den ouderdom van eenentnegentig jaaren, twee maanden en negentien daagen: ontrent zeventien jaaren ouder geworden dan Euripides, en op zeven jaaren, zoo oudt als Sofokles; de twee vermaardtste Treurspelschryvers, die hy meest poogde te volgen. Hy wordt op den achtsten dagh der zelve maandt in de nieuwe kerke t’ Amsterdam, by ’t Pausdom aan de Martelaresse Katharina toegewydt, (niet ver van ’t Koor, naar de damdeur toe) door veertien Poëten, of liefhebbers der Poëzye, ter aarde gebraght. Hier leit hy in de zelve Kerk, daar de Drossaart Hooft, en Barlaeus, die groote Poëten; en ook Daniel Mostaart, Joan Victorijn, Cornelis Gyzelbert Plemp en Jakob Baake, zyn waarde vrienden, in d’aarde rusten. Maar dees voortreffelyke Dichter, die zoo veele graven van groote mannen met zyne vaarzen vercierde, werdt hier begraven zonder eenigh grafschrift of het minste gedenkteeken van eere: tot dat, ontrent dry jaaren naa zyn doodt, de heer Joan Six, Heer van Wimmenum en Vromade, Oudtscheepen en Raadt der stadt Amsterdam, dit tydtvaars op zyn graf-zerk liet houwen.

    VIR PHOEBO ET MVSIS GRATVS VONDELIVS HIC EST:

’T welk wy dus vertaalen,

HIER RVST VAN VONDEL, HOOGH BEIAARDT,

APOLLO EN ZIIN’ ZANGBERG VVAARDT.

    [75] Doch ten tyde zyner begraafenis werdt zyne gedachtenis met een groot getal lykdichten van Antonides, Vollenhove, Oudaan, en anderen, te veel om te noemen, vereert: hem ten toon voerende en betreurende, als den grootsten Poëet zyner eeuwe, die in alle deelen der kunst uitmuntte. Petrus Françius, Professor der welspreekenheit, een uitneemend Latynsch Poëet, schreef ook een grafschrift, kort van woorden, maar ryk van zin. Hy gaf hem den tytel van PRINCEPS POETARUM, Vorst der Dichteren: zeggende dat Maro, Horatius en Sofokles met hem waaren begraaven, en dat men zyn graf most vereeren: dewyl het betaamde den ouden te eeren, en voor al dien Poëet, die ze alle te boven ging, in jaaren en in verstandt. Den lykdrageren werdt een zilveren gedenkpenningh, vertoonende aan d’ eene zyde* ’s mans beeltenis, en aan d’ andre zyde een zingende zwaan, tot zyner gedachtenis, vereert. Hier las men het jaar en den dagh van zijn geboorte en doodt, met dit beschrift, D’OUDTSTE EN GROOTSTE POEET.

    Dit was het einde van dien vermaarden man, den vader der allerzuiverste en volkomenste Poëzye: in wien zommigen by na niet anders berispten, dan ’t geen anderen ten hooghste preezen, te weten zynen overgang tot het Pausdom. Maar elk most bekennen dat hem ’t stuk van den Godtsdienst ter herten ging, en dat hy daar in yverde zonder yemant t’ ontzien: alle bedenkelyke vlyt aanwendende, om zyne vrienden en bekenden tot de Roomsche kerk te brengen. Van de geschillen en ’t geen de Gereformeerden tegens het Pausdom hebben, hadt hy, meenen zommigen, geen grondige kennis, maar boogh zich onder ’t gezagh der kerke, naamentlyk der Roomsche en stelde zich gerust [76] in d’ uitspraake van haaren spreekenden rechter, den Paus. D’ Onroomschen hieldt hy wel voor ketters, maar hadt evenwel een goedt gevoelen van zynen grootvader Kranen, hoewel Onroomsch gestorven, en vertroude van hem, om zyne eenvoudige vroomheit, het beste. Ook heeft men hem hooren zeggen, dat hy in d’ Inquisitie over niemants leven zou willen zitten. ’T waren, sprak hy, zommige heethoofdige Paapen, die de vervolginge van eenige vroome luiden doordreven. Daar noch by voegende, dat de Paapen t’ allen tyden over ’t geweeten der menschen zochten te heerschen: en dat zommige Reformateurs hunne voetstappen volgden. Als hem iemant een oudt Nederduitsch boek van de Legenden en levens der Pauzelyke Heiligen vertoonde, veel verzierde wonderwerken behelzende, bekende hy dat het Munniksche fabelen waaren, in die domme tyden voor ’t slechte volk geschreven.

    Zyne Roomscheit hadt zyn liefde tot den Staat en de vryheit niet vermindert; ’t geen hy doorgaans in zyne vaarzen liet blyken. Hy toonde ook groote zucht tot zyn geboortestadt Keulen; weinig jaaren voor zyn doodt derwaart reisende, en zyn vermaak neemende met op de bedtsteê te klimmen, daar hy ter weerelt quam, schryvende op die stof zeker gedicht, dat hy sedert zeide vergeten te hebben. Zyn vlyt en arbeidtzaemheit was byna ongelooflyk: wetende gelyk hy in zekeren brief schreef, dat men, al hygende en zweetende, van langer handt de steilte van den Parnas opklimt: en dat oeffening en wakkerheit het vernuft wetten. Al zyn naagelaate schriften, meer dan dertig tooneelspeelen, het Pascha hier niet onder gerekent; voorts zyn andre groote werken, en zulk een meenighte van allerlei gedichten, op zyne plaats aangewesen, zyn blyken van dien vlyt. Zyn leergierigheit was hier spitsvondig, en dien-[77]de zich van alderhande middelen. Om op elke stof en zaak de rechte spreekwysen te vinden, onderzocht hy, by allerley slagh van menschen, wat Duitsche woorden elk ontrent zyn werk, handteering, en kunst gebruikte. De landtluiden vraagde hy, hoe zy spraaken ontrent den landtbou, en hoe ze ’t geen daar toebehoorde noemden, en uitdrukten. Ontrent den huisbou, vraagde hy op gelyke wyze de timmerluiden en metzelaars: ontrent de zeevaart en ’t scheepstuig de zeeluiden; ontrent de schilderkunst, en wat daar toe hoorde, de schilders: en zoo voort ontrent alle ander bedryf, wetenschappen en kunsten. Dit strekte tot opbou der taale en om van al wat hem voorquam met woorden die de zaake eigen waaren, te spreeken.

    Hy ging ook in ’t stuk der kunst altydt met anderen te raade, en zocht naar mannen die de zaak verstonden, dien hy zyne dichten voor ’t uitgeven liet leezen, of voorlas, en hun oordeel afvorderde. Deze noemde hy zyn Mecenaten, Aristarchen, en Keurmeesters, die hem ook in ’t vertaalen, gelyk boven gemeldt is, behulpzaam waaren. Ook plaghten ze in ’t leezen zyner treurspeelen, en andere dichten, volgens zyn verzoek scherp te letten op het Duitsch, op het dicht, op den zin: en indienze onzuiverheit in de taale, hardigheit of lamheit in het dicht en rym, of kreupelheit ontrent den zin meenden te zien, zy weezen ’t hem aan: en ’t geen men met reden berispte, zocht hy strax te verbeteren. Behalven Mostert, Victoryn, Jakob Venkel, en anderen, daer hy zich ontrent het overzien en beschaven zyner dichten, meest van diende, hadt hy noch een’ vriendt, Jaques de la Rue genoemt, een’ Koopman, ten aanzien van ’t Latyn en Grieksch wel ongeleerdt, maar die de werelt had gezien, lang in Spanje gewoont, en zoo groot van geest, schrander en doordringend van oordeel [78] was, dat onze Dichter zynen raadt in gewichtige en twyfelachtige zaaken meenighmaal plagh te zoeken, en met vrucht te volgen.

    Van zyn eigen werk sprak hy zedig, of met groote ingetoogenheit: en men hoorde hem nooit (indien men alleen uitzondere ’t geen hy zich, in ’t Berecht voor Jephtaas treurspel, tegens zyn gewoonte, liet ontvallen) op eenige zyner dichtwerken, hoe hoogh die ook van anderen wierden gepreezen, met den minsten schyn van laatdunkenheit, roemen.

    Ontrent de dichten van anderen handelde hy heusch. Wanneer jonge aankomende Dichters hem iet lieten leezen, met verzoek van zyn oordeel, wees hy hunne misslaagen wel gaarne aan, maar nam meer vermaak in ’t pryzen van ’t geen hem geviel, dan in ’t berispen van ’t geen hem mishaagde. Nooit zocht hy den geest uit te blusschen: maar in ’t tegendeel den lust en yver der leerzame vernuften bet t’ ontsteeken. Hierom stondt hy veeltydts gereet t’ hunner hulpe en overzagh dikwils hun werk: verwerpende al wat misstondt; het ruwe beschavende, en ’t misstelde herstellende: voorts hun leerende, geen woorden tegens den aardt onzer taale te verstellen; noch met zwetzen niet te hoog te vliegen, of door kreupelheit plat op d’ aarde te vallen: voorts wel te letten op d’orde of den draet, en ’t vervolgh der reede; ook op den staat, eigenschap en gestaltenis, van elke zaake, en die elk naar heuren aardt uit te drukken. Daar toe diende d’Aanleidinge ter Nederduitsche Dichtkunste, op het aanhouden der leergierigen, in den jare MDCL geschreven, en by den tweeden druk der Poëzye gevoeght: in welk schrift hy met verscheide nutte regelen ontvoude, wat den jongen Dichteren te myden of te volgen stondt.

[79] Tegens niemant toonde hy oit afgunst of nydt. Dichteren van naame gaf hy hunnen verdienden lof. Maar den Drossaardt Hooft stelde hy onder de Hollandtse Schryvers boven aan: niet alleen wegens zyne Poëzy, maar ook inzonderheit ten aanzien zyner Historien, met naame de Nederlandsche, daar dat groot vernuft zich lest en langst mêe beezig hiel, en Vondel van zeide; In gansch Nêerlandt ken ik niemandt, die maghtigh is slechts een bladt te schryven, gelyk de Drost dat heele werk uitvoerde. Ja ik heb hem van die Historien zelf hooren zeggen; dat het een volmaakt werk was, een queekhof van verheven Duitsch: dat de Dichters uit dat werk al de krachtige en aardige spreekwyzen in orde behoorden te verzaamelen, (gelyk Aldus Manuitius en anderen uit Cicero in ’t Latyn deeden) en dat ze die, door ’t overweegen en herkaauwen, hun eigen makende, dan een styl zouden krygen, den Parnas waardig. Den Hartspiegel van Henrik Laurenszoon Spiegel hieldt hy in zoo groote waarde, dat hy niet alleen weinig jaaren voor zyn doodt den Poëet Antonides aanmaande om die te leezen, en de taalkunst en wysheit daar uit te haalen: maar hy las ze zelfs zyn dochter overluidt voor, en in zyn eenigheit tot tweemaalen toe geheel uit.

    In Constantyn Huigens, den Heere van Zuilichem, prees hy zyne geestige gedachten en scherpsinnige aardigheden: zich verwonderende, dat hy in zoo grooten drang van bezigheeden, zich eevenwel in soo veele taalen en verscheide stoffen hadt kunnen oeffenen, en soo weinig tydts laaten verlooren gaan. Doch hoe hy zyn hart in Zuilichems lof ophaalt, leest men in ’t vaars daar by zynen zoon Christiaan opwekt om ’s vaders gedichten in ’t licht te brengen, en zich dus laat hooren:

    Wy verwachten met gebeden

    [80] Eenen bloemhof milt van geur,
    Ryk door zyn verscheidenheden,
        Van gedaante en levend kleur;
    Een banket voor keurige oogen,
        Een muzykfeest voor ’t gehoor,
    Als de ziel om hoogh getogen,
        Naar de wolken vaart door ’t oor.
    Wy verwachten gulde spreuken,
        Aardige spitsvondigheên,
    Lessen van geen eeuw te kreuken,
        Redevormers van ’t gemeen,
    Gestoffeerde galeryen
        Vol van kunst en wetenschap;
    Taeffereelen waert te vryen,
        Honighkorven zoet van sap.


Reinier Anslo en Jeremias de Dekker plagh hy Dichters van een cierlyke netheit te noemen.

    Ook heeft men hem den Predikant Joannes Vollenhove, en Johannes Antonides van der Goes, die hem in styl allermeest geleeken, zeer hooren pryzen. Van Antonides weet men in ’t bysonder met wat hoogen toon hy op den lof van zynen Ystroom draafde; dat hy hem gemeenlyk zyn’ zoon noemde, en een tedre ja genoeghsaam vaderlyke genegentheit toedragende, veel gemeenschaps met hem hieldt, hoewel hy noch jong van jaaren was. Hier toe gaf het treurspel van Zungchin d’eerste aanleiding. Vondel hier meê bezigh, verstondt dat Antonides de zelve treurstof onder handen hadde, ging hem hier op bezoeken, las zyn werk, en ziende dat de Keizer in ’t begin dees taal voerde,

    Wie plantte in Tartarye een bosch van veltstandaarden,

zeide strax, Ik zal, om den jongen Dichter aan te moedigen, deeze spreekwyze ontleenen, en in myn treurspel gebruiken: [81] gelijk hy deede met deeze woorden der Priesteren, in den rey, na ’t eerste bedrijf, noch te lezen,

    De vyandt magh vry bosschen planten
    Van veltstandaarden.


Anderen getuigen dat hy plagh te zeggen, Ik zal in de kunst twee zoonen nalaaten, Vollenhove en Antonides. Men verhaalt ook, dat hy Vollenhoves Kruistriomf d’eerste maal ziende, daar op zeide; Daar is een groot licht in dien man, maar jammer dat hy een Predikant is. Zoo diep was d’afkeer van Predikanten by hem ingewortelt. Hy noemde hem den vernuftigen Vollenhove, of vollen vruchthooren. Zyn lykklaght over den Graaf van Serini geleezen hebbende, schreef hy in zekeren brief, Dat zyn lierzang borst uit een volle ader van de hengstebron: dat zyn werk overal even heerlyk viel: dat hy niemant kende, zonder pluimstrykery gesprooken, die hem in dit renperk voorbystreefde: dat het draafde op Seriniis heldendraf, en zeeker dien heldt waardig was. Maar wat is ’t? voegde hy ’er by, de tyden van Pindarus en Horatius zyn voorby, en de Duitsche Homeer mag kunstig vedelen, maar verdient geenen drukprijs met bedelen. Hy schreef ook in dien brief, dat men noch niet vernam van Christus ballingschap (door Vollenhove gedicht en van hem gezien) zeggende, dat het een stuk was van geleertheit en zinrykheit doorwrocht. Van Geeraardt Brandt sprak hy weleer, ten aanzien van de dichten zyner jeught, en de lykrede op den Drost Hooft, met lof en gunst; daar men eenigh blyk van vindt in Ansloos vaarzen op die lykreede gedicht. Doch de verscheidenheit van Godtsdienst, en eenigh ander geschil, elders gemeldt, veroorzaakte sedert wat verwydering, vermindering van genegenheit, en een landuirigh zwygen: tot dat d’ oude liefde, toen hem Brandt in zynen hoogen ouderdom somtydts bezocht, weêr boven [82] quam, en dat men hem, bykans in ’t einde zyns levens, noch hoorde zeggen, Brandt is een goedt Epigrammatist, dat ’s Byschriftschryver: ziende op zyn korte dichten, afbeeldingen en grafschriften. Arnold Moonen, Predikant te Deventer, en meer vermaardt daar de kunst min dan hier bekent is, quam met zyne uitneemende Poëzye, daar een Drostelyke zwier van kunst en taalcieraadt, zonder hardigheit, in speelt, laater te voorschyn. Maar evenwel zagh Vondel voor zyn doodt noch eenige zyner vaarzen, die hem zoo gevielen, dat hy zynen geest hoog waardeerde: zeggende van zekeren Herderszang, door hem gedicht, dat die rustigh was, en staan moght tegens d’ ouden. Dus sprak onze Poëet, om dien jongen Dichter, (die sedert, met zyne andre dichten en herderszangen, dien lof noch meer verdiende) op te wekken, en moedt te geven.

    Zommigen leiden hem te last, dat hy somtydts luiden prees en in zyne gedichten hoogh zette, die des onwaardig waaren. Maar hy antwoordde; Men heeft my diets gemaakt, dat ze zoodanigh waaren: myn lichtgeloovigheit heeft my bedroogen. Ook gingh hem na, dat hy ’t misnoegen, eens opgevat, langsaam aflei, en ’t gewaande ongelyk niet licht vergat. Doch men weet ook, dat hy in zommige voorvallen het tegendeel liet blyken: en als hy yemant eenighsins meende misdaan te hebben, zocht hy strax te verzoenen, en quam licht om vergiffenis bidden; zoo dat men reeden hadt zich over zyne vernedering te verwonderen. Anderen berispten de scherpheit zyner hekelpenne, die hem veel ongunst op den hals haalde, daar hy weinig op paste. Nochtans vonden zyne hevigste vyanden, als ze de kunst verstonden, zich gedrongen de geestigheit en zwier zyner dichten, hoe vinnig dat ze staaken, te pryzen.

    Maar in zynen hoogen ouderdom, en na zyn doodt, [83] dorsten zommige bedilzieke geesten aan zynen lof knabbelen; op dat het hem (zoo wel als Homerus en Virgilius Maro) aan geen’ Zoilus noch Carbilius zoude ontbreeken. Doch dit gezelschap kon hem met al hun vitten en splinterzoeken niet aanranden, zonder hunne eige handen te schenden, of hun nydt en onmaght ten toon te stellen. Zyn lof was nu zoo hoogh gesteegen, dat ze door niemants laster afnam, noch door niemants lof aangroeide: en al zyn berispers hadden, met elkanderen op een gehoopt, de maght niet, om een dicht van vyftigh vaarzen, ik laat staan een treurspel, te dichten, dat in het duizendste deel naar zyne zoetvloeyende hooghdravenheit, zuyverheit van styl, en aardigheit van zin, geleek.

    In hoe hooge achting de doorluchtigste Lichten onder de geleerden zyne gedichten en treurspeelen hielden, blykt uit d’ oordeelen van den Heere Hugo de Groot, den Drossaart Hooft, den Professor Vossius, en anderen, in ’t voorgaande verhaal gemeldt. Ook verhief hem
Barlaeus met dese vaarzen.

        Vondeli, Batavae decus & laus prima Camoenae,

        Fontis inexhaustum flumen Apollinei.

    O hooghste kroon in dicht die Hollandt cieren kon,
    O onuitputbre stroom van Febus hengstebron!


Al wat Hollandtsch spreekt of verstaat, en Poëzy bemindt, gewaaght nu van zynen lof. De Jesuiten t’ Antwerpen, door den roem van des Dichters naem aengelokt, verzochten, eenige jaaren geleden, zyn schildery, en plaatsten die in hun klooster onder de beeltenissen van de vermaardtste mannen deezer eeuwe.

    In hem werdt wyders als verwonderens waardig, aangemerkt, dat hy, zoo ryk van invallen en geestige gedachten, gelyk zyne gedichten uitwyzen, in ’t gezelschap der [84] menschen byna spraakloos was, en zelden geluidt sloeg. En ik heb uit zyn’ eigen mondt, dat hy op een tydt ten huize van den Heere Joost Brasser, broeder van ’s Landts grooten Schatmeester, in ’t gezelschap van Hugo de Groot, Vossius en Barlaeus, ter maaltydt genoodigt, onder ’t eeten niet een enkel woordt sprak; ’t welk den bysitteren vreemdt voorquam. Maar hy, zoo een groot zwyger, stil en zwaargeestig van aardt, doch diepdenkende, had altyd zyne gedachten gespannen; met zyn verstand en zinnen, gestadig werkende op zyne vaarzen, en zwanger gaande van aardige vonden. En zulk een aardt houdt men best bequaam tot d’ oeffening der hooghdravenste Poëzye, en tot den styl van het treurtooneel. Doch al was hy zoo stilzwygend, men hoorde niettemin dat hem zomtydts, na een wyl zwygens, eenige korte en sneedige reede, als ’t pas gaf, onvoorziens ontviel; of dat ’er een schimpschoot uit borst.

    Voorts droeg hy zich in al zynen handel en wandel onbesprooken, zeedig, needrig, vreedtzaam, zonder gewinzucht, en zoo maatig ontrent den drank, dat ik niet weet, of hem iemant ooit beschonken zag. Maar ontrent het eeten viel hy graagh; zonderling van hartige spyze, tot in zynen hooghsten ouderdom. Zyn kleeding, die van de gemeene wyze niet te ver afweek, was teffens nedrigh en deftig.

    Met wat gemeenzaame vrienden, hy zich meest vermaakte, kan men uit het voorgaande verhaal afneemen. Liefst hiel hy zich by zulke, die met hun verstandt en oordeel in zyne kunstoeffeningen hem kosten en wilden ten beste raaden. De Ridder Laurens Reaal, Joan Vechters of Victoryn, Rechtsgeleerde, de Secretaris Mostert, de Heer Kornelis Plemp, de twee gebroeders Jakob en Justus Baake, en Jaques de la Rue, boven genoemt, verdienden hier, met [85] weinige anderen, d’ eerste plaats in zyne vriendtschap. Hy hielt ook groote vriendtschap met zyn zwagers en zusters zoone Hans de Wolf, en zyn huisvrouw Agnes Blok, een groote liefhebster van alle nutte wetenschappen en edele kunsten, inzonderheit der Poëzye, Schilder- teken- en printkunst, en haar zuster Ida Blok, die haar meeste tydt in de boeken versleet. By dien neef, (die hem in ’t bestieren zyner middelen zeer behulpzaam was, en alles voor hem bezorghde, dien hy ook alle zyne huiszorgen en huisgeheimen openbaarde) plagh hy alle weeke, des vrydaghs ’s middaghs, ter maeltijdt te gaan, wel veertien of vyftien jaaren lang: ook na zyn doodt by de weduw, sedert hertrouwt, zoo lang als hy gaan kon: vindende in zynen ouderdom nergens grooter vermaak dan in haar gezelschap en gesprek. Haar vereerde hy zyne afbeelding, die hem best geleek, door een konstige handt geschildert: en daarna noch eenige zyner vertaalingen; als Nazoos Heldinnebrieven, ettelyke Taafreelen van Philostratus; ook veele Hollandtsche spreekwyzen, uit des Drossaarts Henrik den Grooten getoogen, en andre schriften, die zy onder haare papiere schatten t’ zyner gedachtenisse bewaart.

    Rykdom had hy met zyn Poëzy niet konnen vergaaderen, maar hier door meer verlooren dan gewonnen: wegens ’t verzuim in zyn neering, by zyn egaas leven, en daarna. De lof zyner gedichten was zyn eenige winst. De schenkaadjen, van groote persoonen ontfangen, waaren weinig, doch kosten de boete, voor Palamedes betaalt, noch opweegen. De grootste gift, hem ooit geschonken, was een goude keeten en medalje van Koninginne Christina, ontrent vyf hondert guldens waardigh, door ’t Afsetsel der Koninglyke Printe, een aardigh lofdicht t’ harer eere, verdient. De Regeerders der stadt Amsterdam [86] vereerden hem weegens d’ Inwydinge van ’t nieuw stadthuis met een zilvre kop of schaal. Ook ontfing hy, zeit men, van de Heeren Raaden ter Admiraliteit over zyn gedicht van ’t Zeemagazyn, gebout op Kattenburgh, een geschenk van zilver, een kom, met een deksel en leepel, of iet diergelyks, daar ik ’t rechte bescheidt niet van hebbe. Van Amelia, Princesse weduwe van Oranje, werdt onzen Dichter een goude penning, voor ’t bruiloftdicht op ’t huwlyk van haare dochter, Princes Henriette Catharina, met den Vorst van Anhalt, vereert. Maar zeeker geestelyk Keurvorst, dien ik my schaam te noemen, beschonk hem, over ’t opdraagen van een treffelyk gedicht, met arme vijftien of zestien guldens. Wat schildery hem d’ Aartsbisschop van Mechelen, voor d’ opdraght der Altaargeheimenissen, toezondt, is boven gemeldt. Voor d’ opdraght van Virgilius, in dicht vertaalt, werdt hem een aam Rynsche wyn, en voor de Herschepping van Ovidius een schoone zilvere vergulde kop t’huis gezonden. Dit zyn de voornaamste giften, ooit by hem genooten.

    Zyn dochter, Anna van den Vondel, voor hem overleden, oordeelende dat hy, (zich nooit, by ’t leven zyner huisvrouwe, noch daarna, met de huishoudinge hebbende bemoeit) in zyn’ hoogen ouderdom niet bequaam was om zyn eigen man, en meester van haar nalaatenschap te zyn, hadt, by uitersten wille, al haare middelen, en wat hy haar te vooren in eigendom had opgedraagen, vast gemaakt: en daar by besprooken, dat haar vader niet alleen de rente, maar ook, des noodts, de hooftsom zou moogen verteeren: dat hy zich in zyne gebrekkelyke jaaren van twee dienstmaagden moght laaten dienen: en dat men hem zou geven, wat hy begeerde. De last van dit uittevoeren werdt aan twee of dry vrienden betrouwt, en d’ eene na zyn’ doodt tot [87] erfgenaam gestelt: doch onder besprek van haare goederen, na zyne aflyvigheit, volgens haare bysondre maakingen, aan verscheide bloedtvrienden, en vreemden, ook geestelyke persoonen, uit te deelen. Zyn boeken, weinig in getal, waaren by maaking, of gifte, zeekeren Priester toegeleit: doch men had geen geduldt om zyn doodt af te wachten, en hem zoo verre overreedt, dat hy ze, (onder voorgeven dat hem ’t leezen zou schaden en zyne gezondtheit krenken) etlyke jaaren voor zyn sterven afstondt, en toeliet dat men ze uit zyn huis haalde. Doch eerlang kreeg hy berou: en men hoorde hem sedert met schreiende oogen klagen, dat men hem al zyn papieren hadt benoomen, en niet overgelaaten. Maar te vooren hadt hy zelf een groote meenighte schriften, vreezende dat men alles na zyn doodt, zonder onderscheidt, onder de pers zou brengen, met eige handen verbrandt. Men weet ook, dat hy op zeekeren tydt te Hoorn zyn zuster, Katharina van den Vondel, een schrandere weduw, en zoet op Poëzy (die hy met al haar kinderen tot de Roomsche kerk hadt gebraght) bezoekende, een wydtluftige uitlegging op Palamedes treurspel hadt gestelt: maar dat zeker Heer hem ’t gevaar, daar hy zich in stak, zoo krachtig voor oogen stelde, dat hy ’t schrift, veel vellen papiers groot, in ’t vier smeet, en al dien arbeidt van de vlam liet verslinden.

    Hy liet nu naa zyn doodt, door ’t afsterven van zyne kinderen en kindtskinderen, geen anderen erfgenaam na dan zyn zoons zoon, boven gemeldt; die, behalven d’ eere van uit hem gesprooten te zijn, door uitersten wil zyner dochter niet anders erfde, dan ontrent het vierde deel van ’t geen ’er overschoot.

    Om zyne werken met eenig merk, behalve zyn’ naam, te teekenen, nam onze Dichter in zyn jeught eerst tot een [88] zinspreuk, Liefde verwint alles, en daarna, Door een is ’t nu voldaan: uit welke woorden, door letterverzetting, zyn naam Joost van der Vondelen, gelyk hy toen schreef, werdt geleezen. In laater tyden teekende hy zyne dichten met het woordt Yver, en Juste, dat is rechtvaardelyk; slaande op zyn’ voornaam, in ’t Latyn Justus: ook met de letteren P. L. dat is, Pro libertate, of Voor de vryheit; en P. V. K, of Palamedes van Keulen. Voor eenige zyner werken zagh men David, speelende op zyne harp, en daar onder deeze spreuk, Justus fide vivit; die tweezinnig was, en vertaalt kon worden, De rechtvaardige leeft door ’t geloof: of Joost leeft door zyn snaaren.

    Indien men ook kennis van zyne gestalte en gedaante begeert, hy was van middelbaare lengte, wel gezet, en wel gemaakt van leeden. In ’t weezen vertoonde zich een kenbaare schranderheit, en opgetrokkenheit van gedachten. Zyn aangezicht was in de kracht zyner jaaren blankbleek en magerachtig; maar in zynen ouderdom breedtachtig, vol in ’t vleesch, gezondt van kleur, en bloozend op de kaaken; het voorhooft niet te hoogh. Onder hooge wynbraauwen, aan de rechte zyde een weinig hooger opgetrokken dan aan de slinke, doch zonder misstandt, hadt hy bruine, levende, doordringende, scherpziende, of, gelyk men spreekt, aarents oogen, vol viers, als of hy heekeldichten in ’t hooft hadt. Zyn neus was wat verheven, wel in ’t vleesch, de mondt niet te groot, zyne lippen dunachtig; zyn hair zoo kort, dat het d’ ooren pas half bedekte; zyn baardt kleen, en, gelyk als ’t hair, zwartbruin; tot dat het in zyn hooge jaaren wit van grysheit wierdt. Dusdaanig was zyn uitwendige gedaante, gelyk hem ook verscheide afbeeldingen, door de vermaardtste en kunstigste Schilders gemaalt, vertoonen: inzonderheit [89] de schilderyen van Govaart Flink en Flips de Koning, ook de print van Jan Lievens, met een rol in de handt, daar de Heer Joan Six dit aardig dicht op schreef,

    Dit ’s Vondel, met zyn rol,

    Apelles trof Apol.


Doch in zyn’ hoogsten ouderdom werdt zyn weezen van niemant beter getroffen dan van den gemelden Koning; die hem, uit liefde tot zyne poëzy, wel zes- of zevenmaal schilderde, of teekende.

    Maar de print van zyn’ geest, verstandt en vlyt, met geen verwen te verbeelden, heeft hy zelf in onnavolgbaare werken klaer en kunstig uitgedrukt. Daar kan men hem in zyn waare weezen best aenschouwen. Dat taafereel liet hy den nakoomelingen na; voornamelijck zulke, die zich in de dichtkunste poogen te oeffenen, en op die print van zyn beste deel, den geest, staaroogende, opgewekt worden, en aanleiding bekomen, om alle hunne krachten inspannende, zyn voorbeeldt te volgen, en hem zoo gelyk te worden, als hun eenighsins doenlijck is. Dus doende, zal de Poëzy, die hy in zyn leven zoo treflyk vorderde, met hem niet sterven, maar in onze Nederlantsche taale (niet min gelukkigh dan de Latynsche, of Grieksche, in koppelwoorden, oneige spreekwyzen, gelykenissen, en allerhande kunstcieraat) ook overblyven en onvergangkelyk voortgezet worden tot de naakomelingen en volgende eeuwen.


[90]

 

GRAFSCHRIFT

VOOR
JOOST VAN DEN VONDEL,
FENIX
DER HOLLANDTSCHE
DICHTEREN.

HIer leit de Lykasch van den Fenix, dien de Ryn,
Een eeuw byna geleên, zagh ryzen t’ Agrippyn:
De Duitsche Euripides en Maro, Juvenaal,
En Flakkus, wiens gedicht, hooghdravende van taal,
Zoo klaar als zinryk vloeit, tot glori van ons Y.
Betreur dien Vader der volmaaktste poëzy.

                                                          G.B.

Joost van Den Vondel

Netherland poet and convert, b. at Cologne, 17 Nov., 1587, of parents whose residence was originally at Antwerp; d. 5 Feb., 1679. Of his early youth nothing is known. In his eighth or ninth year, he went with his father Joost, and his mother, Sara Kranen, to Amsterdam, where his father engaged in the stocking trade. His first known poem dates from 1605, when he was seventeen years old. This and some other poems of his youth exhibit the qualities of the older rhetorical style of poetry. On 20 Nov., 1610, Vondel married Mayken de Wolff. He then began to devote himself to classical studies, as is shown by his poem "Jeruzalem verwoest" (Jerusalem Destroyed), which appeared in 1620. Even at this date Vondel had won the friendship of men like Pers, Roemer Virscher, Hooft, the Baccks, Laurens Reael, Plemp, Mostaert, C. Huygens, and Seriverins. This gave Vondel a new worldview and a wider horizon. It was probably between 1620 and 1630 that he dedicated his celebrated poem "De Kruisbergh" (Calvary) to his young wife. His "Palamedes" and "De Amsteldamsche Hecuba" date from the year 1625. Immediately after this, in 1626, appeared "De Roskam" and, in 1631, "Jaergitijde van wijlen Heer Joan van Oldenbaerneveld" and the "Decretum horribile". During this same period Vondel made the acquaintance of Hugo de Groot, to whom he dedicated his "Wellekomst". Between 1631 and 1640 his fame constantly increased. During that time he worked steadily on his "Constantijn". In 1635 appeared "Joseph in't Hof", and shortly after "Gijsbrecht van Aemstel"l in 1639 "De Maeghden". At this time his tragedies follow one another with astonishing rapidity: in November,1 639, "De Gebroeders"; January, 1640, "Joseph in Egypten"; 4 March, 1640, "Joseph in Dothan".

The years 1640-1 were not very fruitful in poems. Vondel was pondering on higher things. Previous to this time the Protestant preachers thought they perceived in him papal tendencies. In 1641 he openly joined the Catholic Church, and thereafter devoted his talents and pen to her service. The "Litterae annuae" of the Jesuits (1641) prove Vondel to have been converted by the Fathers of Krijtberg, and it is reasonably sure that it was Father Petrus Laurentius who brought about his conversion. His daughter Anna had preceded him into the Church and his nephew Peter Vondel followed in 1643. He remained grateful to the Society of Jesus and sang its praises in many beautiful poems. His conversion brought him many new friends and caused him to lose none of his old ones. The first fruit from the pen of the Catholic Vondel was the drama "Peter en Pauwels", which has for its subject-matter the founding of the Church (1641). In 1642 he wrote a no less Catholic poem, "De Brieven der Heilige Maeghden, Martelaressen", with an "Opdracht aan de II. Maeght" (Dedication to the Blessed Virgin). In 1645 appeared the "Altaargeheimenissen" (Mysteries of the Altar), in 1646, "Maria Stuart of Gemartelde Majesteit" (Mary Stuart, or Martyred Majesty). Vondel's art reached its highest development during the years 1647-54. Before 1648 he had completed "Leeuwendalers", which has been designated as "the most perfect drama which our poet has left us". It is a glorification of the Peace of Munster. A number of magnificent poems and remarkable works in prose followed. In 1654 appeared Vondel's masterpiece, "Lucifer". In this he reaches his greatest height not only as a dramatic but as a lyric poet (Leendertz). The piece was interdicted by the Protestant preachers, and consequently ran through four editions in the same year (1654). For the stages which were forbidden to produce "Lucifer", Vondel at once wrote his "Salmonens".

About this time his son, Joost, died, and Vondel had to journey to Denmark to collect what was due there to his son. But this not being sufficient to pay the latter's debts, he had, as his son's security, to give up his whole fortune. He then accepted the position as porter in the Bank van Leening (a pawnshop) with a salary of 650 gulden yearly. Vondel thus lost much of his independence and his time. Shortly afterwards he dedicated his "Jeptha" to Anna van Hoorn, wife of the burgomaster who had secured for him his new position. He then published among other works "Samson", after 1660, "De Heerlijkheit der Kerche" (The Glory of the Church) in 1663, and "Faeton" in 1664, "Adam in ballingschap" (Adam in Exile) in 1667, "Noack of Ondergang der eerste Waerelt" (Noah, or the Destruction of the First World), his last original drama. In 1675 the aged poet lost his daughter Anna, and four years later he himself passed away at the age of ninety-one. He is the greatest poet the Netherlands have produced, one who is distinguished in every form and who occupies a place among the best poets of all time.


HET INHOUD.

Sedert dat de Joden hare grouwelen en zouden, begaan in het dooden en vervolgen der profeten, hadden opgehoopt met het onmenschelijk bloedvergieten en mishandelen des onschuldigen Lams, en andere vrome Heiligen Gods: zou heeft haar verdoemenisse niet geslapen. Want Florus, die namaals van de keizer Nero was gesteld als landvoogd over Judea, ontstak met zijn inslokkende gierigheid en onverdraaglijke wreedheid den brand van tweespalt: waaruit vele jammerlijke beroerten en bloedige slachtingen tusschen Joden en Romeinen langs hoe meer zijn ontstaan: zoo dat eindlijk de keizer veroorzaakt was, Vespasiaan, als veldoverste over het Syrische krijgsvolk, derwaarts te zenden: die, vergezelschapt met zijnen zone, Jotapata, daar Josephus gevangen wierd, en voorts het Jodische land met meest alle de omliggende plaatsen vermeesterd, en Jeruzalem bezet hebbende, tijdinge kreeg, hoe, na Nero’s rampzalige dood, Galba en Otho omgekomen wezende , Vitellins het gebied tot zich getrokken hadde: waarom de Roomsche hoofdluiden hem drongen het keizerdom te aanvaarden en derwaarts te trekken, gelijk hij ook dede, latende Titus de volendinge van het aangevangen oorloog bevolen. Ondertusschen was het te Jeruzalem zoo verre gekomen, dat ze, als in slagoorde, in drie rotten vijandelijk gedeeld stonden; te weten: de Zeloters, die Eleazar aanbingen, hadden den tempel, Johannes het onderste, en Simon Giore zoon het opperste deel der stad in. Titus, hier van verwittigd, heeft deze gelegentheid waargenomen, en in het 72. na Kristus’ geboorte, ’twelk is het tweede jaar van Vespasiaans rijke, op den 14en van de maand April, als de Joden haar Paaschfeest vierden, de stad met zijn muiterije berend, belegerd, en eerlange, na veel gehouden schermutselingen en gedane stormen, met een muur in drie dagen tijds bezet en besloten: waarop gevolgd is een onlijdelijke hongersnood, die de burgerlijke beroerten dede aangroeyen, en ontallijke menschen versmachten: zoo dat ze genoodzaakt waren de doode lichamen over stads muren in de grachten te worpen, ja, een edel joffrouwe spijze van haar onnoozel kind moet bereiden. De tiende dag van Oogstmaand wierd het vuur in de tempel gesteken, daar een onmenschelijke slachting gebeurde, en alle priesterlijke gebouwen af brandden. En hoewel de keizer hun vaak hulde aanbood, en haar beloofde in genade op te nemen, zoo zij haar goedwillig overgaven: nochtans volherdden zij in de voorgaande halstarrigheid, tot dat ten laste, op de achtste dag van Herfstmaand, de overstad gewonnen, en alles in vuur en bloed wierd gesteld. Na de overwinninge ontbrak het den Roomschen soldaten aan geenderhande moedwil en wreedheid, over de moedwilligen te plegen. Titus, de schuldige naar haar verdienste gestraft, en zeven honderd jongelingen, sterk van lichaam, tot het aanstaande zegefeest, dat hij te Rome dacht te houden, uitgezonderd hebbende, bedankte zijn krijgsluiden voor haar dapperheid, in de strijd betoond, verplichtte haar manhaftigheid met den verkregen roof en eerlijke’ ampten, en offerde dankbaarlijk, op de heilige plaatse des tempels, zijn Goden. Daarna stelde hij Terentius Rufes tot overste van zijn tiende bende, die hij tot bezettinge liet van de verwoeste stad, en vertrok met het gansche leger en de gevangenen. En dewijl de geschichtboeken melden, dat Simeon Kristenbisschop, met zijn heilige vergaderinge, volgens het ontvangen Godlijk antwoord, van Jeruzalem te Pella vluchtte, en, als Judea wat in ruste was, weder te Jeruzalem metter woon kwam: zoo hebben wij, om ons geheel werk Kristelijker wijze te verklaren, en alles leerlijk voor oogen te stellen, versierd, dat hij met de zijne wederkeerende, als het leger juist vertrokken was, en de verwoeste stad bezichtigende: hun de Engel Gabriël, met een Hemelsche klaarheid aangedaan, verschijnt, die henluiden volkomentlijk ontsluit de oorzaken van den val en ondergang des Jodischen volks, met meer omstandigheden, die daar aan vast zijn. Daar hebdy het kort inhoud van ons treurspel, genomen uit Josephus 2, 3, 4, 5,6 en 7, en Egesippus 2, 3, 4 en 5, en Eusebius 2 en 3, en Carions 3e boek, en uit meer andere schrijvers. Het tooneel is op, rondom, en ontrent de verwoeste plaatsen, daar het krijgsvolk legert, en Jeruzalem gestaan heeft.

What do YOU think ?

Submit Your Comments For Posting Here
..Will Be Spam Filtered and Posted Shortly..



 

 

FREE ONLINE BOOKS

  

Click For Index Page

Free Online Books Historical Preterism Modern Preterism Study Archive Critical Articles Dispensationalist dEmEnTiA  Main Josephus Church History Hyper Preterism Main

Email PreteristArchive.com's Sole Developer and Curator, Todd Dennis  (todd @ preteristarchive.com) Opened in 1996
http://www.preteristarchive.com