Josephus, zelf een Jode, erkent deze nederlage te
zijn een bijzondere goddelijke wrake, overmids de tyrannen te
Jeruzalem, meer door vreeze als nood, uit hare onwinbare vastigheid
weken; en Titus, na het veroveren der stad, zich verwonderende over
den geweldigen bouw van torens en muren, en ser ateenen hooge,
groote, en behendige te zamenvoeginge zeide
Hierusalem Verwoest PDF File
Titelblad. |
Aan mijn broeder. (Klinkert.) |
Opdracht aan Cornelis Pietersz. Hooft |
Aan den gedichtenlievenden lezer. |
Het inhoud. |
Aan den Joodsche Rabbijnen (Klinkert) |
Treurspeelders. |
De eerste handel. |
De tweede handel. |
De derde handel. |
De vierde handel. |
De vijfde en leste handel. |
Inhoudsopgave Vondel
AAN MIJN BROEDER,
OP HET TREURSPEL DER JODEN.
Klinkert.
Euripides, die heeft de aanschouwers lang voorhenen
Ten oogen eenen vloed van peerlen uitgedrukt,
Als Hecuba bedroefd, uit haren troon gerukt,
Beschreide Troyens val, met zuchten en met stenen;
Maan gij, o Broeder! der Hierosolymitanen
Droef Treurspel ons vernieuwt en klagelijke moord,
Hoe deerlijk Titus heeft Jeruzalem verstoord:
Om wien de vijand zich niet spenen kost van tranen.
Een wreed barbarisch hert moet schrikken, als ’t verstaat,
Hoe Sions heerlijkleid en pracht te gronde gaat:
Hoe Salomons gebouw met zijn vergulde daken,
De machtigste pilaar van ’t vruchtbaar Joodsche land,
Is omgeworpen; hoe eens moeders eigen hand
Haar teder kind uit nood gaat tot spijsoffer maken.
GUILHELMUS VONDELIUS.
DEN
ERENTFESTEN, ACHTBAREN, WIJZEN, EN VOORZIENIGEN HEERE
CORNELIS PIETERSZ. HOOFT,
(*)
RAAD, EN OUD BURGEMEESTER DER OM DES WERELDS
OMMELOOP WIJD BEROEMDE KOOPSTAD AMSTELREDAM.
M ij n H e e r e,
Wanneer de heilige Paulus den Kristengeloovigen vermeent te
bidden voer koningen en alle, die in macht en hoogheid gesteld zijn,
opdat wij een gerustig en stil leven mogen leiden in alle
godzaligheid en eerzaamheid: zoo leert mij ons al stilzwijgende, hoe
wij wijze en vrome overheden behoonren met eerbiedigheid te
omhelzen, als eenen gnoeben zegen Godes en fonteine, waardoor
allerhande heil en webvaren ons
bekwamelijk toevloeit: want gelijk een treffelijk filezoof zegt:
„ubi præses furnit philosophus, ibi civitas erit felix (die stad zal
gelukkig zijn, daar de overheid wijsheid zal nasporen). De proeve
hiervan hebben wij, haast eenige jaren
herwaarts, gehad in deze onze vereenigde Nederlanden, die, met
de hulpe des Alderhoogsten, zoo vele gevaren gelukkiglijk zijn
voorbij gezeild, door het voorzichtig en wijs beleid van hare
getrouwe en vrees regeerders, die, als zorgvuldige vaderen, voor het
welvaren des Vaderlands en deszelfs vrijheid gedurig hebben gewaakt,
gebraakt, en alles uitgestaan. De weerdigste vrucht van deze arbeid
is, dat vele duizend verjaagde menschen in den schoot en het gebied
der doorluchtige Heeren Staten gastvrij zijn geherbergd en lieflijk
gekoesterd, en die in veilige schaduwe gezeten, niet meer hoeven te
vreezen de grimmigheid van die, uit het
voorborg der Hellen
opgedonderde, Spaansche
Alecto, die, driemaal haar geslangde
perruik geschud hebbende, met haar fakkel het vuur stak in de
mutsaarden en rijsbossen, die de palen en staken bekleedden,
waaraan dagelijks vele vrome Kristenenu wierden vast gemaakt, die
midden in de vlammen Jezus Kristus lof toezingende, hem lijf en
ziele opofferden tot eenen zoeten en Onbehagelijken reuk. Indien wij
ernsthaftig overwegen de als in het
hemde
ontvloden wreedheid, en wederom de genoten ruste en veiligheid:
gewisselijk wij moeten, gepersd zijnde van een dankbaar gemoed,
met de aan strand opgeworpen Æneas uitbarsten en roepen:
O, die gij neemt alleen
van ons Troyaansche gasten
Het leed ter harten en de ondragelijke lasten:
Die ons. het overschot der Grieken, hier gestrand,
En uitgeput van ’t ramp te water en te land,
Nog herbergt in uw stad en luis, met rouw bewogen; —
O Dido! ’t staat noch in ons macht, noch in ’t vermogen
strooid,
Van ’t
volk van Dardanus , dat overal bemoeid
Dwaalt om den gsnschen kreits des aamdnjks wijd
verstrooid,
Verschulde dankbaarheid, naar eisch u op te dragen:
De Goôn (zoo verre nog een Godheid schept behagen
In ware Godes-vrucht ; zoo billijkheid nog plaats
Bij iemand heeft, en een gemoed, dat zich niet kwaads
Maan ’t goed bewust is) ’t loon u naar verdiensten
jonnen.
Wat blij der eeuw heeft u gebracht in ’t licht der
zonnen!
Wat treflijke oudren u geteeld tot ons gewin!
Zoo lang de mind’re vloên afloopen zeewaart in,
Zoo lang de schaad’wen op de bergen gaan en
merren,
En ’s Hemels as
geleidt de
vlook gewelfde sterren,
Zal duren uwen naam en faam met lof en eer,
Het zij wat land mij roept, of
werwaarts ik
verkeer. |
Onze E. E. en A. A. Overheden nee in het algemeen voorbijgaande,
en mij in het bijzonder tot uwe E. wendende: gij, mijn Heere, hebt
met heilzame naden vaken dezen stads en der hooger Heeren Staten
vergaderinge bekleed, en, uw eigen voordeel te rugge zettende, het
gemeene best naar tijds gelegenheid gevorderd en helpen vorderen;
zoo dat geen verstandige zich met recht zal
belgen, dat wij oorzaak nemen, in uwe E. persoon, te verheffen
en als aan te bidden de zeer heusche en beleefde regeeringe, onder
wiens vleugelen wij zoo gerustmoedig hebben geschuild, en den
groeten God gedankt, die over ons had gesteld zoo mild-aardige en
bescheiden Goden, de welke, naar het getuigenisse van eener, die,
mijn Heer, in het gezond oordeel van burgerlijke zaken niet ontaardt,
zijn uitblinkende, als in ’t goud het heldere gesteent.
Daar
mangelt dan bij de goede ingezetenen niet anders als
dankbaarheid:
weshalven, om, onze beleefde regeerders in uwe E. persoon, naar
mijn gering vermogen een gering teeken van aller ontvangen weldaden
erkentenisse te toonen: zoo offere ik uwe E. dit mijn Treurspel
van het verwoeste Jeruzalem, of, om zoo te spreken, mijn tranen,
uitgestort over den bloedigen ondergang van het Jodische volk: en
dat nog zoo veel te liever,
overmids uit uwe E. lendenen gesproten is die
Groote Apollo, die onze Nederduitsche telg den dag, en zijn
treffelijk geslacht schoonder luister geeft: en wiens gulde rijmen
in het voorhoofd van aanzienlijke stads-gebouwen kunstig gegraveerd,
en in de kerken boven de tomben met gouden letteren in gladde
toetssteen uitblinken, en de voorbijgangers al verbaasd ophouden.
Ontvangt dan, mijn Heere! deze mijn geringe dank- en schuldoffer,
meer ziende op den wille als iet klein vermogen, en bereikt, o wijze,
grijze en
landnutte raadsheer! Nestors statige en veeljarige ouderdom, ten
goede van ons gemeen beste.
t’ Amstelredam, dezen 20 van Louwmaand, 1620.
Uwe E(rentfeste) en A(chtbare) gans onderdanige
J. V. VONDELEN.
DE VIERDE HANDEL.
TITUS, de keizer, TERENTIUS,
<"#hopman">
hopman.
TITUS.
Wij staan op ons vertrek; mijn afgestreên soldaten,
Na zoo veel oorloogs, blijd’ haar legerplaats verlaten.
Wij laten achter ons een omgeworpen muur,
Een koninklijke stad verdelgd met staal en vuur,
Een aardrijk omgewroet, een kerkhof vet van dooden,
Die niemand staan t’ ontzien, ten ware dat der Joden
Verrezen schimmen ons opkomen mochten dol
Met fakkelen, gelijk uit Pluto’s duister hol
<"#opdonderen">
Opdonderen somtijds de ontstelde razernijen,
Als al de wereld voor een anker schijnt te
<"">
rijen’
Maar dat is zonder zorg: nochtans acht mijnen raad
Dit
<"#oorbaar">
oorbaar, dat men, tot gerustheid van den staat,
Hier een bezetting legt van krijgsliê wel ervaren,
Die onder eenen voogd ’t land hier ontrent bewaren,
Opdat er niemand
<"#schans">
schans, noch slot, noch vesting bouw,
Noch voet krijg, noch iet kwaads den
<"#Romulijnschen">
Romulijnschen brouw.
Terentius, die vaak de schild waart van mijn leven,
Wanneer ik in den strijd mij had te diep begeven,
Omcingeld van ’t gevaar, belegerd van ’t gekerm,
Besloten van ’t
<"#geweer">
geweer, daar, met geheven erm,
Gij mij te redden wist door sabelen en
<"#pijken">
pijken,
En sloegt een
<"#wagenborg">
wagenborg van doôn en versche lijken:
Deze eere komt u toe: ontvangt, ontvangt van mij,
Uw wettelijke prins en veldheer, de voogdij
Van gansch Judea; let met aandacht op uw zaken,
En wilt in ’t voordeel van ons
<"#monarchije">
monarchije waken.
TERENTIUS
Aanzienelijke vorst! och, of uw majesteit
Meer nuts genieten mocht van mijn gehoorzaamheid!
Wij nemen ’t ampt in dank; uw mildheid is te loven,
Die ons verdiensten in
<"#bezolding">
bezolding gaat te boven.
Verschoont uw dienaar niet, die, als de keizer spreekt,
Wenscht te vervullen ’tgeen aan zijnen plicht ontbreekt.
TITUS.
Mijn tiende bende, die haar ooit zoo
<"#vroom">
vroom verweerde,
Gesterkt met nog meer volks te voet en ook te peerde,
Ik tot bewaring hier te legeren besloot,
Om de overwinning te verzekren buiten nood,
Waarom men heeft verschoond den muur in ’t West gelegen,
En ’tgeen daaraan kleeft: daar het krijgsvolk vrij van regen,
Van hagel, wind en storm, en onweêr schuilen mag,
En
<"#herberg">
herberg krijgen: hebt gij over haar ’t gezag
Omhelst de wetten, en, wie tegen ’t recht derft
<"#woelen">
woelen,
Doet hem de strengheid van onze krijgstucht voelen.
TERENTIUS
Al wat mijn Heer beveelt, werd wetens niet verzuimd.
TITUS.
Geen uitgedreven Joôn geeft hier te wonen ruimt’:
Maar andren, die haar naar ons zeden kunnen voegen,
Vergunt deze akkren te bezaayen en te ploegen,
Mids redelijken tol ’t rijk in te wil’gen, en
Dat niemand ander staf als onzen schepter kenn’.
TERENTIUS
’t Is billijk en gegrond, het steunt op goede reden.
TITUS.
Zoo iemand derf bestaan, òf vestingen òf steden
Te stichten, en tot zulks iets delve of spitte of graaf,
Die heeft het lijf verbeurd, zijn goed en al zijn
<"#haaf">
haaf.
Die zaak is van gewicht, dus hecht ze in uw gedachten.
TERENTIUS
De prince twijfel niet, wij hopeu ’t te betrachten.
TITUS.
Uit mijn gevangens ik heb duidelijk verstaan,
Dat Simon, die ons zou veel
<"#hoons">
hoons heeft aangedaan,
Die
<"#schelm">
schelm, die, afgerecht op zou veel
<"#boeverijen">
boeverijen,
Het oorloog spaarde, om zijn
<"#verschulde">
verschulde straf te ljen,
Zich onder ’t muurwerk houdt, ’twelk nog van de aarde rookt,
Met andren, die hij naar zijn lust heeft opgestookt:
Neemt acht hierop, en dees steenhoopen wilt bezetten
Met wachters, voor een
<"#wijl">
wijl, die op dien booswicht letten,
Opdat hij ’t niet
<"#ontslip">
ontslip: indien nog ’t recht in zwang
Bij d’ Hemellieden is, dat elk zijn straf ontvang,
En penen
<"#geld">
geld en boet’ zijn grouwelijke stukken,
Hij zal u niet ontgaan.
TERENTIUS
En of dit wel gelukken,
Wat aischt het recht van hem? te sneuvlen door de bijl?
TITUS.
Die
<"#deugd">
deugd gebeurt hem niet; dat gij hem
<"#in%20der%20ijl">
in der ijl
Mij toestiert, wel bewaard, te Rome, daar wij wenschen,
Dat hij in ons triomf zij ’t schouwspel velen menschen,
En pijnelijk uitbraak zijn goddehooze ziel,
Die
<"#stadig">
stadig van het eene in ’t ander kwaad verviel.
TERENTIUS
Schept die verrader slechts in onderaardsche kuilen
De locht, al ging hij zich zoo diep uit angst verschuilen,
Dat hij den Tartarus, daar geenen
<"">
Febus schijnt,
Mocht hooren
<"#loyen">
loyen, als de boosheid wordt
<"#gepijnd">
gepijnd:
Die schelm, doorluchtig held! mijn hand niet zal
<"#ontvlieden">
ontvlieden;
Belieft u iets wat maar, gij hebt maar te gebieden.
Ik volge uw Majesteit, en doe u uitgeleî.
TITUS.
De tijd verloopt, het is hoognoodig dat ik
<"#schei">
schei,
En
<"#vorder">
vorder onzen tocht; ik zie, nu wij vertrekken,
De keizerlijke stad haar zeven
<"#halzen">
halzen rekken,
En uitzien naar het heer, dat,
<"#werwaarts">
werwaarts het ook vecht,
Alom het veld behoudt, en prijs en eer inlegt.
Ik zie de stacie van le Roomesche burgerijen,
In volle
<"#rusting">
rusting, ons ontmoeten met verblijen;
Den Tiber zwart van volk; ik zie Vespasiaan,
<"#Mijn%20broeder">
Mijn broeder, en dan Raad bij
<"#Jovis">
Jovis tempel staan:
De pniestren ’t
<"#outaar">
outaar vele, en al de Goden vieren,
En ’t onverwerklijk groen ’t hoofd des
<"#verwinners">
verwinners cieren.
REI VAN JOODSCHE VROUWEN, FRONTO, REI VAN STAATJONFFREN, DE
DOCHTER SION.
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Nu wakker, stapelt steen! de nood
<"#breit">
breit duizend listen.
Deze aanslag blijft ons borg, of de eerste
<"#treken">
treken misten.
O
<"#kranke">
kranke toevlucht! zou de koningen van ouds,
Bedrupt van balsem, en verhalen met veel gouds,
Behangen met de glans van purper en kleinooden,
Opbraken ’t marmor, en opkeken van dan dooden,
Hoe zou ’t haar kwetsen, ach! maar als ’t aldus moet zijn,
Dit is de waarheid naast, en
<"#geeft">
geeft het veinzen schijn
Voor ’t ander. Wakkert u;
<"#metst">
metst van berookte steenen
Een graf voor de IJdelheid , en wilt haar lijk beweenen.
FRONTO.
<"#Mars">
Mars heeft hier uitgeraasd; hij scheidt, om elders weêr
Een
<"#wederspannig">
wederspannig rijk, met zijn gevalde spaar,
Met ’t weêrlicht van zijn schild, en met getogen zweerde,
Te
<"#slechten">
slechten, tot den grond en bodem toe, met de eerde.
Ik kome, in ’s Keizers naam,
<"#gelast">
gelast, om zon terstond
Dees tempelhoeren, die geen uitstel wordt
<"">
gejond,
Te volgen doen het
<"#heer">
heer, dat langer niet mag
<"#dralen">
dralen.
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Help God! hij komt om ons; het is, om ons te halen!
REI VAN STAATJONFFREN.
Steenrotsen! barst van een; valt, bergen, op ons neêr!
Troost God! waar vluchten wij? hier is gaan vluchten meer.
FRONTO.
Weg, weg, met dit geraas! ’t is langer hier met
<"#stenen">
stenen
Noch
<"#karmen">
karmen niet te doen.
REI VAN STAATJONFFREN.
Waar wildy met ons
benen?
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Wat hebdy met ons voor?
FRONTO.
Voort, voort!
Jodinnen, voort!
Ik doe u geen verslag, neen, niet een enkel woord;
Gij werdt het zelf gewaar Wel, waar is uw vorstinne?
Waar is ’t
<"#hertnekkig">
hertnekkig wijf?
REI VAN STAATJONFFREN.
Wij bidden u, uit
<"#minne">
minne,
Och! wijst ze ons, waar ze
<"#dwaalt">
dwaalt.
FRONTO.
’t Is u niet onbewust.
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Wij zijn om harentwil
<"#bekommerd">
bekommerd en ontrust.
REI VAN STAATJONFFREN.
Zij
<"#droop">
droop van onze rei vol zuchtens en vol klagen,
Berooid van hoofd en zin, versuft en heel verslagen,
En eer men toezag (Want onze oogen waren dik
En nood van schreyen) zij, in eenen oogenblik,
Was ons gezicht ontgaan, en,
<"#werwaarts">
werwaarts dat wij zouden, —
Haar stem wierd niet gehoord, haar voetspoor niet gevonden.
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Verlatene vorstin! zoo gij de locht nog schept,
Meld de oorzaak, waarom dat ge ons dus begaven hebt:
Want zooder hoop was, om uw zelven te
<"#versteken">
versteken,
Wij hadden t’ zamen wel dit ongeval ontweken:
Geen klip zoo eislijk steil, geen afgrond is zoo naar,
Vol slangen, vol gedierte, of ’t uiterste gevaar,
Hulde ons doen klimmen, en
<"#opklavreren">
opklavreren’ en dalen:
Of hebdy vóór dan tijd uw doodschuld gaan betalen,
En zijdy van een rots
<"#gesneuveld">
gesneuveld op een steen,
Die
<"#gants">
gants verpletterd heeft ’t
<"#albaster">
albaster van uw leên,
Zee wilt door eenig spook of teeken doch
<"#gehengen">
gehengen,
Dat wij u vinden, en met rouw ter aarden brengen.
FRONTO.
Hoe luidde ’t jongst beklag? hoe droeg z’ haar als ze
<"#schied">
schied?
REI VAN STAATJONFFREN.
Van droefheid uitgeput,
<"#verwonnen">
verwonnen van verdriet,
Zal ik dan, sprak ze, die gevallen ben in handen
Van d’
<"#onbesneden">
onbesneden, zijn haar schouwspel t’
<"#mijnder">
mijnder schanden?
Zal ik, die een vorstin der volken ben geweest,
<"#verstrekken">
Verstrekken een slavin van die ons heeft gevreesd?
Zal ik verschoven gaan in ballingschap vol smerten
Mijn ramp
<"#ineten">
ineten? en al steeds met droever herten
Ophalen mijnen val? en den voorleden staat
Gaan vergelijken met ons tegenwoordig kwaad?
Nog zoo niet; naauwlijks was het kermen van de lippen,
Of wij verloren haar omtrent die scherpe klippen.
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Hij gaat ze zoeken.
REI VAN STAATJONFFREN.
Och! of dit gelukken woû,
Dat wij ’t lijf bergden van ons welgeboren vrouw
In ’t uiterste gevaar, voor ’t woeden der tyrannen:
Wie weet, wat uitheemsch bloed eens met haar aan mocht spannen,
En geven zich te velde, om ’t overschot der Joôn
Te stellen en haar stoel, en koninklijken troon:
Wie weet, van waar ons God mocht een verlosser wekken, -
Die eenen Cyrus zoude of andren Mozes strekken,
Of
<"#braven">
braven Gedeon, of trotschen Jozua,
Of stouten David, tot
<"#verzetting">
verzetting van ons schâ.
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Staatjonffren, zwijgt! hij keert met overwinners-treden,
Gezwollen om zijn hoofd van
<"#toorne">
toorne en gants t’ onvreden,
Met dreigende oogde spoedt hij
<"#onswaart">
t’ onswaart zijnen gang.
Jehova, staat ons bij! wat wordt mij ’t harte bang!
Moord! moord! hij trekt ’t
<"#geweer">
geweer! ik tril, ik beef, ik sidder!
REI VAN STAATJONFFREN.
Genade, o oud Romein!
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Genade, o edel ridder!
Wat is ’t, dat u ontstelt? wat is ’t, dat gij
<"#begaat">
begaat?
Wat eer is ’t, dat gij dees verdrukte vrouwen slaat,
Een troosteloozen hoop!
<"#tert">
tert lieven uwsgelijken.
Gaat uwen vijand toe, zon zal uw
<"#vroomheid">
vroomheid blijken;
Hier haaldy enkel schand; laat zinken uwen
<"#moed">
moed!
Wat is ’t, date ontzet en heftig woeden doet?
Wat eischty zoo
<"#verstoord">
verstoord? ach, wilt doch wat bedaren!
FRONTO.
Dat gij ze daadlijk meldt.
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Men zal ’t u openbaren,
Als ’t immers zoo moet zijn, aanhoort slechts met geduld:
Aan haar rampzalig einde en dood heeft niemand schuld
Als zij, die, als ze droef haar handen had gewrongen,
En ’t aanzicht opgekrabt, is van een rots gesprongen
Met schrikkelijk gehuil, ’t welk driemaal heeft gevergd
Den galm, die woont in dit omliggende gebergt:
Wij volgden haren sprong met uitgekreten oogen,
Maar wie had
<"#onbezwijmd">
onbezwijmd van ’t hooge aanschouwen mogen
Een lichaam, welks gestalt was van den zwaren val
Gants uitgewischt? o vrouwe! o rotse! o berg! o dal!
FRONTO.
Dat riekt naar
<"#schelmerij">
schelmerij; denkt nimmermeer met liegen
Een afgerecht Romein, als ik ben, te bedriegen.
Ziet voor u, wat gij doet.
REI VAN STAATJONFFREN.
Wij bidden u, gelooft.
FRONTO.
Waar is het lichaam? fluks!
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Wat lichaam? dat,
beroofd
Van zijn gedaante, is
<"#gants">
gants verplet in al zijn deelen?
FRONTO.
Wijst mij ’t verplettr voort, en past op mijn bevelen.
REI VAN STAATJONFFREN.
Wij kwamen, als zij lag gevallen naar beneên,
En hieven ’t zielloos lijf op van de konde steen,
En groeven ’t
<"#in%20der%20ijl">
in der ijl daar zelden iemand wandelt,
Van vreeze, dat ze niet wierd na haar dood mishandeld:
Die eer gebeurd’ haar nog, dat wij de grafsteê wat
Verheerlijkten met puin van ons verbrande stad,
Met heele en halve steen, op dat er eenig teeken
Mocht blijven, als men van haar einde kwam te spreken.
FRONTO.
Waar is de plaatse? fluks!
REI VAN STAATJONFFREN.
Wij bidden u, betoont
Eerbiedigheid den dode, haar sterflijkheid verschoont,
Noch ’t lichaam niet onteert van deze, die
<"#eylacy">
eylacy!
Gesneuveld
<"#deerlijk">
deerlijk, wierd begraven zonder stacy.
FRONTO.
Het lichaam zal ik zien; staat op uw hoede nog!
Want vinde ik dit, als ’t eerste, onwaarheid en bedrog,
Het zal u
<"#rouwen">
rouwen.
REI VAN STAATJONFFREN.
Och! besnoeit die boze lusten,
En die zoo lieflijk slaapt haat in den grave rusten.
Wat zijdy voor een volk, die, na genomen straf,
Een dode romp vervolgt, en wreekt u aan een graf?
Wat komt u aan? gij valt aan ’t schenden en aan ’t breken
Van onze
<"#timmer">
timmer, ach! den Hemel zal het wreken,
Dat, als een
<"#dullen">
dullen hond, gij schuimbekt, schendt, en bijt
’t Geen heilig is, en tot een eerlijk lijk gewijd.
Wee ons! hij luistert niet; zijn wreedheid heeft geen ooren.
Best doen wij rechte bichte, en melden ’t van te voren,
Eer dat hij ’t al verwoeste, en in zijn
<"#dolligheid">
dolligheid,
Tot wrake van ’t bedrog, ons
<"#dobble">
dobble straf bereid’.
<"#vroom">
Vroom krijgsman! staat wat stil, en
<"#willet">
willet ons vergeven
Wij zijn uit hooge nood en angst hier toe gedreven.
<"#zinnen">
De zinnen lijden last, komt, volgt me; want hierbij
De dochter Sion, met een jonffer twee of drie
Schuilt in het hol des bergs. — Komt uit! ’t is al verloren;
Uw volk heeft u
<"#verraan">
verraân, princesse welgeboren!
Den aanslag is ontdekt; komt wederom in ’t licht,
Verheugt uw vijand met een treurig aangezicht;
Hij lacht in ons
<"#verderf">
verderf; komt uit, en wilt niet schromen:
Zulks is voor dezen ook een koning overkomen,
Die Salems schepter droeg, en met benaauwder ziel
<"#ontvliende">
Ontvliênde in handen nog van Nimrods nazaat viel:
Die voor hem sneuvlen zag de vruchten van zijn handen,
En most, van ’t licht beroofd, zijn leven pijnlijk enden,
In eenen duistren nacht, in een ongastvrij land.
Dit is de gene, die ons over zee en zand
Vervoeren zal; indien gij meer vermoogt met kermen
Als wijliê, valt hem aan, en brengt hem tot
<"#ontfermen">
ontfermen.
DE DOCHTER SION.
Ervaren oorloogsman! na ’t woeden des soldaats
Had vaak beleefdheid bij den overwinnen plaats,
Die vroom was, en geen roem zocht, met een afgetreden,
Onweerbaar hoopken volks stijf op den nek te treden:
Omhelst doch deze deugd, en leent een lijdzaam oor
Kan uw
<"#gevangens">
gevangens! zegt, wat hebdy met ons voor?
<"#wat">
(*)
Wat lijden gaan wij aan?
FRONTO.
Gij moet terstond naar
Romen,
Ons zegefeest ten dienst; het is zoo voorgenomen:
Man zal u, om wiens wil geplengd is zon veel bloeds,
<"#gevleugeld">
Gevleugeld volgen doen de keizerlijke koets,
Met uwen ganschrn rmei, met duizend jongelingen,
Dan moogdy, zoo ’t u lust, uw tempeldeuntjens zingen:
Als gij de vaten, en al ’t goud en zilverwerk,
En ’t priesterlijk tapijt, de glorie van uw kerk,
De goude kandelaar en tafel, op een wagen,
Ziet zegenrijk ten toon voor ieder ommedragen.
DE DOCHTER SION.
Veel eer als zulks gebeurt, zal God, op mijn geschreeuw,
Doen komen op den weg een tijger of aan leeuw,
Die ons verslinden zal, en tot het been toe knagen,
En met zijn ingewand in zijnen schuilhoek dragen;
Veel eer als dat gebeurt, zal ’t God zich trekken aan,
En ons of u
<"#gezwind">
gezwind met zijnen bliksem slaan;
Veel eer als dat
<"#geschiedt">
geschiedt, eer dat gij vreugd zult rapen
In onzen ondergang, eer wernden wij verschepen,
En trekken aan ’t gestalt van een onreedlijk beest,
Eer scheuren wij ons kleed, en schenden uwe feest.
FRONTO.
Gij kwelt u te vergeefs, wij schrikken voor geen dreigen;
Uw roepen geldt hier niet; gij hebt uw lijf niet eigen.
Gij moet mede over zee, dus maakt uw hert geen pijn,
En zult ons
<"#dienstmaagd">
dienstmaagd ’s daags, des nachts ons boelschap.
REI VAN STAATJONFFREN.
Ach! moeder Sion, helpt! wij
<"#zijgen">
zijgen neêr ter aarden,
Waartoe of wij de bloem van onze jeugd bewaarden
Op een goed huwelijk? om namaals tot garief
Te dienen een
<"#schavuit">
schavuit, een eerbloos hangedief?
Om zijn slavin te zijn? om hem te laten drijven
Zijn boze moedwil met ons nooit
<"#gerepte">
gerepte lijven,
Ons
<"#kuischheid">
kuischheid nooit bevlekt, ons witte zuiverheid?
Wat bruiloft hebben wij ons zelfs niet toegeleid!
Zal nu eau
<"#Roffiaan">
Roffiaan’ van ’t lijf de gordels rukken,
En de onverwelkte roos van onze
<"#maagdom">
maagdom plukken?
God moetet zijn geklaagd!
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
En zullen wij
<"#althans">
althans
Den moordenaars en beuls van ons getrouwe mans
Verstrekken tot een prooye, en zulke schelms verwarmen,
En hun
<"#believen">
believen en omhelzen met onze armen,
En dulden, dat ze met haar lippen ongezond
Ons kaken drukken, en ’t
<"#koraal">
koraal van onze mond!
Geenszins; wij zullen, vóór ’t
<"#opdagen">
opdagen van de morgen,
Haar ’t hoofd omwringen, en in d’ eerste slaap verworgen.
FRONTO.
’t Is lang genoeg gedraald; volgt, daar ik u geleî.
Ons
<"#heerkracht">
heerkracht gij
<"#verlet">
verlet; man
<"#acht">
acht hier geen
<"#geschrei">
geschrei.
DE DOCHTER SION.
Wij volgen, gaat slechts voor; vergunt ons nog die zegen,
Dat wij ons klachte doen, en zeggen onderwegen
Het vaderland adieu. Bedrukte! vangt dan aan,
En neemt uw afscheid; want de tijd eischt, dat wij gaan.
REI VAN JODINNEN.
Gij, onlangs heerlijk,
Maar nu, o deerlijk
Jeruzalem! hoort ons geklag:
Wij nemen
<"#oorlof">
oorlof. Ach, ach, ach, ach!
Gezang en cyther,
Staf, kroon, en myter,
Gestoelt’, dat nooit zijn weêrgâ zag:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
Gij, prachtige hoven!
Die trotsch naar boven
Reest, daar de stad op ’t hoogste lag:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
Volkrijke straten,
Die nu verlaten
Zijt, op het schoonste van den dagn
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
Verheven daken!
Vernield door ’t blaken
Van ’s vijands tortsen
<"#oon">
oon
<"#verdrag">
verdrag:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
Gij, hooge poorten!
Waar in verhoord, en
Gevonnist elk te wonden plag:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
Gewijde graven
Van die de staven
En schepters droegen met ontzag:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
Bespiênde
<"#toornen">
toornen!
Waar uit met
<"#hoornen">
hoornen
Men maakte van de strijd
<"#gewag">
gewag:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
Gij, trotsche muren!
Die niet verduren
Ei mocht der Heidnen stormbok doch:
Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!
O kerk der kerken!
Waar aan men merken
Mocht Jacobs ijver
<"#oon">
oon bedrog:
Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!
Daar God zijn zegen
Uitbreidde in ’t plegen
Van d’ heilge dienst, die hier
<"#geschach">
geschach:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
Daar, blij van zinnen,
De Cherubinnen
Elk minlijk groetten met een lach:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
Daar Levi’s stamme,
Met zuivre vlamme,
Op ’t outer ’t offer smooken deê:
Wij nemen oorlof. Wee onzer, wee!
O, vloer! bevolen
’s Hoogpriesters zolen,
Daar eenen Fenix nam zijn stel:
Wij nemen oorlof. Wee onzer, wee!
Daar d’ ark behoedde
Aärons roede,
Het Mann’, en Mozes’ Tafel meê:
Wij nemen oorlof. Wee onzer, wee!
Verslagen helden,
Die most ontgelden
’s Krijgs toorne, en boeten het gelag:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
Verloste moeders!
Die niet bedroevers
Zaagt als uw tepels, droog van zog:
Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!
Die in uwe ermen
’t Kind hoorde kermen,
En geven zijnen doodsnak nog:
Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!
Verwoeste steenen!
Verstrooide beenen!
Vleesch, dat verstrekt der dieren aas:
Wij nemen oorlof. Helaas, helaas!
Verleide zielen!
Die helpt vernielen
Uw oude stad, en streelt zoo dwaas:
Wij nemen oorlof. Helaas, helaas!
Kelders en kuilen!
Daar voortaan de uilen
Haar laten hooren met geraas:
Wij nemen oorlof. Helaas, helaas!
Hiervsalem verwoest wordt hier afgedrukt volgens
de eerste uitgave van 1620 (tietelblad hiernaast) (Unger: bibliographie nr.
91)
De drie werken Hiervsalem Verwoest,
De Heerlyckheyd van Salomon en De Helden Godes
worden hier achtereenvolgens afgedrukt naar de tekst van hun gelijktijdige
eerste verschijning en wel in de volgorde van hun dagtekening door
Vondel zelf: 20 Jan., 28 Jan., 11 Febr. 1620. Ze zijn natuurlik vóór 1620
geschreven, de beide laatste mogelik enige jaren vroeger.
Gezamenlik zijn de drie werken van 1620
uitgekomen in een bundel, waarvan de volledige inhoud vermeld staat in de
uitvoerige tietel: ‘De Helden Godes des Ouwden Verbonds/ Met kunstige
beeldenissen vertoont, en poeetelijck verklaert. Midsgaders: een Hymnus of
Lofzangh van de Christelijcke Ridder *)
, de Heerlijckheyd van Salomon, en Hiervsalem Verwoest. Gerijmt door I.V.
Vondelen.’ (Unger: Bibliographie, Nr. 99). Alle vier deze werken hebben in deze
verzamelde uitgave ieder hun eigen signatuur en bladzijnummering, terwijl de
Salomon en de Hiervsalem ieder hun eigen tietelblad voeren, in een
zelfde typografiese trant. We reproduceren hier alleen het tietelblad van
Hiervsalem Verwoest, en zullen de twee andere zelf zetten in de stijl van de
oorspronkelike. Het op alle drie de tietelbladen voorkomende uitgeversmerk stelt
voor een Kristelike Ridder met zijn spreuk: ‘Ick strii op sno eerde’,
samengesteld uit de letters van Dierick Pieterssoon, 's uitgevers naam.
In de tietel: Hiervsalem: de oorspr.
naam van Jeruzalem, ontleend aan 't Grieks-Latijns Hierosolyma, en
dit weer aan 't Kananees: Urusalem, stad van vrede; tot naedencken:
om na te denken (over hun verhouding tot Kristus en hun bekering); tot
waerschouwingh: tot 'n waarschuwing om Gods barmhartigheid niet op de proef
te stellen en Hem vermetel uit te dagen zoals de Joden, (waerschouwingh
met Brab.-Holl. ou); als op het tooneel voorgestelt: (en wel) op
't toneel voorgesteld; dit is 't verklarende als, dat wij dikwels niet
meer gebruiken; vgl. Dl. 1, blz. 463, op vs. 75, en dit Dl. blz. 86, op
vs. 70; Mat. XXIII: uit 't Evangelie volgens Mattheüs, 23e hoofdst., 38e
vers: zie uw huis [nml. de tempel] zal u verwoest (woest) worden
achtergelaten (gelaten), [uit de klacht van Kristus over Jeruzalem]. De
aanhaling van Vondel is letterlik uit de deux-aes-Bijbel van Van Wingen; Virg:
in AEneas I. Boeck: uit 't epos van Virgilius, de ‘AEneas’ 't 1e boek, vs.
462: de Latijnse tekst is: hic... sunt lacrimae rerum et mentem mortalia tangunt:
hier zijn de tranen over onze (ellendige) toestand, en treffen onze menselike
rampen hun hart. Van bij Vondel is minder juist. Later, 1646 en 1660,
vertaalt ie 't juister (Eneas 1, vs. 665, 666). Ons en onse
in alle gevallen gebruikelik.
*) Waarschijnlik 'n herdruk van het in 1614
gepubliceerde gedicht, afgedrukt in ons eerste Deel blz. 447.
Aen mijn Broeder Op het Trevrspel der
Ioden. Klinckert.
- Euripides die heeft d'aenschouwers langh voorhenen 1
- Ten oogen eenen vloed van Peerlen uytgedruckt, 2
- Als Hecuba bedroeft uyt haren throon geruckt 3
- Beschreyde Troijens val met zuchten en met stenen: 4
-
- 5
- Maer ghy, o Broeder! der
Hierosolymitanen 5
- Droef Treurspel ons vernieuwt, en klaeghelijcke
moord, 6
- Hoe deerlijck Titus heeft Ierusalem verstoort: 7
- Om wien de vyand zich niet spenen kost van tranen. 8
-
- Een wreed Barbarisch hert moet schricken als 't
verstaet 9
- 10
- Hoe Sions
Heerlijckheyd, en pracht te gronde gaet: 10
- Hoe Salomons gebouw met zijn vergulde daken, 11
-
- De maghtighste Pilaer van 't
vruchtbaer Ioodsche land
- Is omgeworpen: hoe eens Moeders eygen hand 13
- Haer teeder kind uyt nood gaet tot spijsoffer maken. 14
-
- Guilhelmus Vondelius. *
|
1 Euripides heeft o.a. 'n spel over de verwoesting van
Troje geschreven Tróades, dat later werd nagevolgd o.a. door Séneca;
van deze gaf Vondel 'n vertaling in z'n Amsteldamsche Hecuba, zie
verder over Euripides Dl. 1, blz. 472 op vs. 1; d'aenschouwers:
bij de aanschouwers.
2 Ten oogen.... uytgedruckt: uit de ogen gedrukt;
Peerlen: de (parelende) tranen.
3 Als: toen; Hecuba: de weduwe van de koning van
Troje, Príamos; uyt: van (uyt zo ook in den troon,
omdat met troon niet eenvoudig 'n zetel bedoeld wordt, maar de troon
met baldakijn, als 'n vertrek was).
4 stenen: (steunen), klagen.
5 der Hierosolymitanen: van de inwoners van Jeruzalem (Hierósolymitanen:
Hier- als eén lettergreep uit te spreken; en op de eerste o de klemtoon).
6 klaeghelijcke moord: beklagenswaardige moorderij.
7 Hoe...: en schildert (vernieuwt) hoe; Titus:
Titus Flavius Vespasianus die in 70 na Kr. Jeruzalem verwoestte (zie verder
Dl. 1, blz. 538 op r. 1 en blz. 704 op r. 1); verstoort: verwoest.
8 Om wien: nml. Jeruzalem; zich niet spenen kost:
zich niet onthouden kon, (kost: kon). Titus zelf betreurde de val van
Jeruzalem.
9 Barbarisch: barbaars, met 't aan 't Duits ontleende
achtervoegsel -isch; verstaet: verneemt.
10 Sions Heerlijckheyd: de luister van de berg Sion (nml.
Jeruzalem, dat vooral op de Sionsberg gebouwd was).
11 Salomons gebouw, nml. Salomon's tempel (de tempel van
Salomon was al vroeger verwoest; de nieuwe prachtige tempel was gebouwd door
Herodes de Grote, die koning was bij de geboorte van Kristus. Van deze
tempel bewonderden de Apostelen de grootse bouw en voorspelde Kristus de
verwoesting. Markus 13:1 en 2).
13 hoe: schildert ons hoe (zoals Hoe in vs. 7);
eens evenals des ook bij vrouwelike woorden.
14 gaet tot spijsoffer maken: opoffert, doodt om zich
voedsel te verschaffen (dit slaat op 't bekende verhaal van Flavius
Josephus; zie in 't treurspel vs. 802-906).
* Guilhelmus Vondelius: Willem van
den Vondel, Vondel's jongere broer, is geboren in 1603, hij heeft te
Leiden in de rechten gestudeerd (1623 en 1624) en heeft 'n reis gemaakt in
Frankrijk en Italië; in 1624 werd hij dokter in de rechten te Orleans; hij
stierf in 1628 te Amsterdam, na er gepraktizeerd te hebben als advokaat.
Vondel vertaalt van hem 'n gedicht ‘Op Urbaen den achtsten’ (1625).
|
[p. 77]
Den erentfesten, achtbaren, Wyzen en Voorzienigen Heere
Cornelis Pietersz. Hoofd, Raed, en ouwd Burgermeester der om des weerelds
ommeloop wyd beroemde Koopstad Amstelredam. *
Mijn Heere,
[1] Wanneer de
heylige Paulus den Christgeloovigen vermaent te bidden 1
[2] voor Koningen en alle die in macht en hoogheyd
gestelt zijn, op dat wy 2
[3] een gerustig en stil leven mogen
leyden in alle Godzaligheyd en eer- 3
[4] baerheyd: zoo leert hy ons al
stilzwygende hoe wy wyze en vrome Over-
5] heden behooren met eerbiedigheyd te
omhelzen als eenen grooten zegen 5
[6] Godes en fonteyne waer door
allerhande heyl en welvaren ons bequa- 6
[7] melijck toevloeyt: want gelijck een
treffelijck Philosooph zeght: ubi praeses 7
[8] fuerit Philosophus, ibi civitas
erit felix. die Stad zal geluckigh zijn daer de 8
[9] Overheyd wijsheyd zal naespooren.
De proeve hier van hebben wy naest 9
[10] eenige jaren herwaerts gehad in deze onze vereenighde
Nederlanden,
[11] die met de hulpe des Alderhooghsten
zoo vele gevaren geluckighlijck
|
* In de tietel: erentfesten: eervolle, edele;
erentfest aan 't Duits ontleend; voorzienigen: vooruitziend,
voorzichtige (in regeringsbeleid). Cornelis
Pietersz. Hoofd [of Hooft] (1547-1626) de bekende
Amsterdamse burgemeester, en raad van Amsterdam, die
Vondel zo treffend gekarakteriseerd heeft in 't
Klinckdicht: Op het overlyden van C.P. Hoofd (1626) en in z'n
Roskam (1626). Hij is de vader van de dichter
Pieter Cornelisz. Hooft. - Met deze opdracht aan de Amsterdamse
oud-burgemeester draagt Vondel voor de eerste maal z'n gedichten op aan 'n
niet-Brabander. Raed: lid van de raad; ommeloop; omtrek;
Amstelredam: de oorspronkelike naam (zie Dl. 1, blz. 498).
1 den Christgeloovigen: aan de kristenen.
2 bidden voor Koningen....: deze woorden tot
eerbaerheyd zijn uit St. Pauwels' brief aan Timótheus 2:1 en 2.
3 gerustig: rustig; in alle Godzaligheyd en
eerbaerheyd: 'n leven helemaal aan godsdienst en deugdzaamheid toegewijd.
5 eerbiedigheyd: eerbied; te omhelzen: aan te
hangen.
6 fonteyne: bron; bequamelijck: geschikt, op de
juiste wijze.
7 een treffelijck Philosooph: 'n voortreffelik wijsgeer.
Wie deze wijsgeer is, is mij niet bekend. Mogelik heeft 'n Romeins wijsgeer
(Cicero?) in deze woorden samengevat de bekende mening van Plato, dat de
wijsgeer de beste bestuurder is van de staat (Plato: De Staat, boek 6
en 7).
9 zal naespooren: zal streven naar; De proeve: 't
bewijs; naest: 't naast bij; vlak bij, bij ons.
|
[p. 78]
[12] zijn voorby gezeylt, door het voorzichtig en wijs beleyd van hare ge-
[13] trouwe en vrome Regeerders, die als zorghvuldige
Vaderen voor het
[14] welvaren des Vaderlands en des zelfs vryheyd
geduyrigh hebben ge-
[15] waeckt gebraeckt en alles uytgestaen. De
weerdighste vrucht van deze 15
[16] arbeyd is dat vele duyzend verjaeghde menschen in
den schoot en het 16-vlgg.
16
[17] gebied der doorluchtige Heeren Staten gastvry zijn
geherberght en lieflijck 17
[18] gekoestert, en die in veylige schaduwe gezeten
niet meer hoeven te 18
[19] vreezen de grimmigheyd van die uyt het voorborgh
der Hellen opgedon- 19
[20] derde Spaensche Alecto, die drymael haer geslangde
perruyck geschud 20
[21] hebbende, met haer fackel het vuyr stack inde
mutsaerden en rijsbossen 21
[22] die de palen en staecken bekleeden waeraen
dagelijcx vele vrome Chris- 22
[23] tenen wierden vast gemaeckt, die midden inde
vlammen Iesus Christus lof
[24] toezingende, hem lijf en ziele opofferden tot
eenen zoeten en Godbe- 24
[25] haegelijcken reuck. Indien wy ernsthaftigh
overwegen de als in het hemde 25
[26] ontvloden wreedheyd, en wederom de genoten ruste
en veyligheyd: 26
[27] gewisselijck wy moeten geperst zijnde van een
danckbaer gemoed met 27
[28] de aen strand opgeworpen AEneas uytbarsten en
roepen: 28
|
15 gewaeckt gebraeckt: zich afgetobd met waken; in 't
middeleeuws al bekend waken ende braken: ‘nachtbraken’ (braken:
breken; radbraken oorspr. radebraken = op 't rad breken,
afmatten); De weerdighste: de kostelikste.
16-vlgg. Vondel bedoelt hier de gastvrije ontvangst bijv. in
Amsterdam, van de protestanten ten tijde van Alva, die (in 1572 al) van 't
Zuiden naar 't Noorden trokken; met de val van Antwerpen in 1585 bedroeg 't
getal uitgeweken kooplui en fabrikanten bijna 19000; Burgemeester Hooft
prees later openlik de verdraagzaamheid van de Staten.
16 arbeyd: moeite; vele oorspr. (nog Vlaams) vorm
van veel; duyzend: duizende (enkelv. als in zoveel duizend’).
17 zijn geherberght: onderdak is verleend; lieflijck:
vriendelik.
19 het voorborgh der Hellen: 't voorportaal der
onderwereld; opgedonderde: losgebroken.
20 Alecto: een van de klassiek-mythologiese furiën of
wraakgodinnen uit de onderwereld; ze droegen slangehaar, en zwaaiden in hun
hand 'n fakkel; de Spaensche Alecto: de Spaanse dwingelandij; 't
dikwels ongerechtigde optreden van de Spaanse bewindvoerders; drymael:
in navolging van 't Latijn, waar bijv. Vergilius dikwels ter:
driemaal, gebruikt voor: herhaaldelik; Vondel doelt hier op de vuurdood
vooral van doopsgezinden, zoals die in 't Offer des Heeren (1562)
verhaald wordt, en in Een Liedtboecxken van 1563 (2e deel van
Offer des Heeren) bezongen wordt; perruyck: ouwere vorm van
pruik.
21 mutsaerden: mutserds, stapels takkebossen.
24 lijf en ziele: lichaam en leven; zoeten:
aangename.
25 reuck: reukoffer; brandoffer; ernsthaftigh: (aan
't Duits ontleend): met ernst; als: als 't ware; in het hemde
ontvloden....: de naakt, van alles beroofd, ontvluchte wreedheid.
26 wederom: aan de andere kant.
27 geperst: gedrongen; van: door.
28 opgeworpen: uit de zee opgeworpen; AEneas: de
held van 't epos van Vergilius, op weg om 'n nieuw Troje te stichten, wordt
door de toorn van de godin Juno achtervolgd, en door 'n hevige storm op de
Afrikaanse kust bij Karthago gesmeten. De aanhaling is uit 't 1e Boek vs.
597-610 (Vondel's vertaling van 1660 vs. 850-870).
|
[p. 79]
- O die ghy neemt alleen van ons Troijaensche gasten 29
- 30
- Het leet ter herten en
d'ondraeghelijcke lasten: 30
- Die ons het overschot der Griecken hier gestrand, 31
- En uytgeput van 't ramp te water en te land, 32
- Noch herberght in uw Stad en huys met rouw bewogen. 33
- O Dido! 't staet noch in ons macht, noch in 't vermogen
- 35
- Van 't volck van Dardanus,
dat over al beroyt 35
- Dwaelt om den ganschen Kreyts des aerdrijcx wyd verstroyt, 36
- Verschulde danckbaerheyd nae eysch u op te dragen: 37
- De Goon (zoo verre noch een Godheyd schept behagen
- In ware Godes vrucht: zoo billyckheyd noch plaets 39
- 40
- By ymand heeft, en een
gemoed dat zich niet quaeds 40
- Maer 't goed bewust is) 't loon u nae verdienste ionnen. 41
- Wat blyder eeuwe heeft u gebracht in 't licht der Zonnen! 42
- Wat treff'lycke ouwd'ren u geteelt tot ons gewin! 43
- Zoo langh de mind're vloe'n afloopen Zeewaert in: 44
- 45
- Zoo langh de schaed'wen op
de bergen gaen en merren, 45
- En 's Hemels As geleyd de vloock gewelfde sterren, 46
- Zal duren uwen naem en faem met lof en eer,
- Het zy wat land my roept, of waerwaerts ick verkeer. 48
|
29 O die ghy neemt alleen: o gij die alleen, namelik
Dido, de koningin van Karthago, (o die ghy onder invloed van 't
Latijn, bijv. o qui transitis); gasten: vreemdelingen.
30 neemt.... ter herten: u ontfermt over; lasten:
moeiten, zwarigheden.
31 overschot der Griecken: (Latinisme) wat de Grieken
hebben overgelaten, de enige geredden uit de macht van de Grieken. (Vondel
vertaalt letterlik: reliquias Danaum).
32 van 't ramp: door 't onheil (ramp als het-woord
is heel eigenaardig; waarschijnlik onder invloed van woorden als ongeluk,
onheil, euvel; zie ook Hiervsalem Verwoest, vs. 90).
33 met rouw bewogen: door droefheid bewogen, bedroefd.
35 't volck van Dardanus: de Trojanen; Dárdanus,
stamvader van Troje en 't Trojaanse vorstenhuis; beroyt: van alles
beroofd.
36 Kreyts des aerdrijcx: de hele wereld; 'n bekende
uitdrukking, onder invloed van 't Latijnse orbis terrae: de
aardschijf, of orbis terrarum: de kring der landen, de wereld,
kreyts: kring.
37 Verschulde: verschuldigde; nae eysch....: naar
eis, naar behoren te betonen.
39 Godes vrucht: godsvrucht (letterlik: vrees voor
God).
41 ionnen (Brabants-Vlaamse vorm): gunnen.
42 Wat blyder eeuwe: welke gelukkige tijd; (blyder
met er achter wat); der Zonnen: van de zon (zonnen
ouwe buigingsvorm).
43 Wat treff'lycke ouwd'ren: welke voortreffelike ouders;
geteelt: voortgebracht.
44 mind're vloe'n (vloeden): rivieren (die de minderen
zijn van de zee).
45 merren (naast marren): toeven.
46 's Hemels As geleyd: de hemel leidt (de hemel
persoonlik genomen, zoals Vergilius doet); de vloock....: de diep
gewelfde sterren, de sterren in 't diepe gewelf; vloock: hol, diep.
Vondel heeft hier Vergilius' convexa: de dalen (vs. 608) niet
begrepen, en convexa bij sidera genomen; in 1646 en 1660 (vs.
868) vertaalt ie convexa helemaal niet.
48 Het zy wat land: welk land ook; waerwaerts....:
waarheen ik mij ook keer, heen trek.
|
[p. 80]
Pieter Corneliszoon Hooft
Kopergravure door A. Houbraken vervaardigd naar de schilderij van M. van
Mierevelt (prent van het Vondelmuseum)
[p. 81]
[49] Onze E.E. en A.A. Overheden
nu in het algemeen voorbygaende 49
[50] en my in het byzonder tot uwe E. wendende: ghy,
mijn Heere, hebt 50
50-52
[51] met heylzame raden vaecken dezes Stads en der
hooger Heeren Staten 51
[52] vergaderinge bekleed, en uw eygen voordeel te
rugge zettende, het 52
[53] gemeene best nae tijds gelegentheyd gevordert en
helpen vorderen, zoo 53
[54] dat geen verstandige zich met recht zal belgen dat
wy oorzaeck nemen 54
[55] in uwe E. persoon te verheffen en als aen te
bidden de zeer heusche 55
[56] en beleefde Regeringe, onder wiens vleugelen wy
zoo gerustmoedigh 56
[57] hebben geschuylt, en den grooten God gedanckt, die
over ons had gestelt
[58] zoo mildaerdige en bescheyden Goden, de welcke nae
het getuyghenisse 58
[59] van eener, die mijn Heer in het gezond oordeel van
burgerlijcke zaecken 59-60
59
[60] niet ontaerd, zijn 60
- uytblinckende als in 't goud het heldere gesteent. 61
[62] Daer mangelt dan by de goede
ingezetenen niet anders als danck- 62
[63] baerheyd: weshalven om onze beleefde Regeerders in
uwe E. persoon
[64] nae mijn geringh vermogen een geringh teecken van
aller ontfangen 64
|
49 E.E. en A.A.: edele en achtbare, edelachtbare (wanneer
dergelijke tietelwoorden in 't meervoud stonden, werden de letters van de
afkortingen verdubbeld; zoals in 't Latijn S. = Sanctus, S. S. = Sancti);
in het algemeen: in 't geheel genomen; hier is E.E. mogelik
Erentfesten, zie blz. 77 in de tietel.
50 uwe E.: Uwe Edelheid (zie verder op r. 55).
50-52 ghy hebt met heylzame raden.... (de)
vergaderinge bekleed: gij hebt (met heilzame raadgevingen de vergadering
vervuld) uw heilzame raadgevingen aan de vergadering voorgelegd; vaecken:
dikwels; (vaecken: met bijwoord. en- achtervoegsel).
51 dezes Stads: dezes ook bij vrouwelike woorden, zie
Klinckert vs. 13 blz. 76).
52 te rugge zettende: achteruit stellende (Klinckdicht
1626: Hier aen heeft Eygebaet niet d'alderminste vlock).
53 het gemeene best: 't algemeen welzijn; nae tijds
gelegentheyd: naar de tijdsomstandigheden; gevordert: bevorderd.
54 zich belgen: zich boos maken; oorzaeck nemen:
van de gelegenheid gebruik maken.
55 uwe E. persoon: Uwe Edele, of uwe Edelheids persoon:
de persoon van uwe Edelheid; uwe Edelheids dus als een geheel opgevat (dikwels
in de 17e eeuw verkort in U.E. of U.Edts); aen
te bidden: te aanbidden; diep te vereren (deze betekenis naar 't
Latijnse: adorare); heusche: trouwhartige.
56 beleefde: minzame, zie blz. 71 | |